baarheid, dat waarmee zij Judith was, en het zondigheid wekkende, altijd weer verrukkelijke geheim van de Vrouw, waarnaar wij vorsen en jagen, en doordringen om er ons in te verhezen met de waan dat wij de bezitters zijn. Zij was het, Vrouw, Hertogin van Beieren, Koningin, Keizerin, alleenheerseres over tienduizenden, over hun liefde, hun wandel en brood, over hun geluk en dood. Hij wikkelde heel de wijde fulpen mantel weg, en zette zich achteruit: zó had nog geen van de Joden vanavond haar kunnen zien, als hij.
Het was een kroon van zuiver gedreven goud, zwaar, verblindend rijk met edelstenen getooid, het Staatsstuk van een uitgebreid Hertogdom dat nu verdeeld was. Anderhalve hand-lengte hoog, had zij een benedenband met juwelen bezet, daarboven een tweede in slingervorm, waarop, van edelstenen, blad en vrucht gemonteerd stond. Rijk en breed was de ronding, het effen goudvlak van de mijtervorm; in het midden van de topwelving zonk die een paar centimeters in, en op die glooiing praalde een kleine appel van roodbruin granaat, en droeg nog een korte piek van donkergroen chrysoberil. Op de benedenband wisselden donkergroen smaragd, het grijs topaas en het lichtgroen chrysopraas elkaar af ter zijde van de grote robijnen, rondom de hele afsluiting van de voet. Van licht roomgrijs was het opaal waaruit een trits van bloemblad was gesneden in het front van de slingerband, evenals het vijfdelig blad op de hoek van de wending, en daar tussen, op de slingerband geheven, stonden kleine appels met knopjes, weer in het roodbruin granaat. Zo, met die vrouwelijke uitzetting, met die praal van schittering, glans en zachte fonkeling, was het werkstuk bedoeld en geworden; zo had de kunstsmid Friedrich Johann uit Regensburg het bedacht en gereedgemaakt, hij, de Burger, onafhankelijk beneden zijn God, in zijn arbeid bevredigd, en met het edele bestendige goud vertrouwd. En zo