enige stoornis te bezien. Het was eerder zijn bitter verweer tegen de miskenning van het lot dat hem nooit de kans gaf, een volheid van gevoelens te beleven, dat hem deed hopen te worden gekozen, en eerder de stille woede vooraf omdat hij weer zou worden ontrecht. Het was een wonderteken, een ommekeer in zijn leven, toen Rabbi Israels wijsvinger de Hebreeuwse Wof, de W, had ontmoet. Wilzmut was er stil van en glimlachte nerveus: hij moest tot de ochtend met de Kroon van Judith als enig gezelschap verblijven. De anderen vertrokken; het gewapend geleide hadden zij met hoge woorden van dank als overbodig afgewezen.
Reb Wilzmut zat daar nu in een suizende stilte; de geur van het leer van de Gebedenboeken dreef door de mufheid van het aan alle kanten gesloten vertrek. Donker waren de houten wanden, door geen versiering gebroken, en verduisterd was de af godin weer door de lagen fulp, waarin zij haar tovermacht verzwegen hield. Die bedektheid, die verscholenheid werd Wilzmut na korten tijd onbehagelijk. Er was niets gezegd van een eis om de Kroon in haar omkleding te laten, maar daar het de Rentmeester wras geweest die ze opnieuw had toegedekt, was het toch een daad van betwijfelde veiligheid, om met de hand van een Jood het fluweel weer af te nemen. Hij deed het pas nadat hij een uur naar die slapende godin had zitten speuren, vlakbij de godin, met zijn hoofd bijna tegen haar glanzend licht nachtgewaad. Toen, alsof het een diefstal gold, en niet zonder met zijn rondwendend hoofd de kamer te hebben afgezocht, bracht hij een bevende hand naar het fluwelen hulsel en legde dat langzaam op€;n en terzijde, alsof er een vuurstraal uit op kon spuiten die 2,ijn gezicht verbranden zou. Hij zou met de Kroon van Judith alleen zijn, met de Kroon zelf, en o, hij bedacht het in een benadering van haar Macht; alleen ook met Judith. Zij was het zelf, haar wezenlijkste ken