In het gele licht van de kaarsen die in metalen houders op de tafel waren gezet, was het goud uit de grijze zakjes over het blauwe fluweel gestort en geteld. Het was meer dan een uur lang een glissen van de zacht-stevige glinsterende materie in het vertrek, onder de volgende blikken van de zwijgende Joden en de tellende Rentmeesters, rondom die indrukwekkende tegenwaarde van het Pand, dat in het midden stond te wachten, nog steeds met het ruime grijze fulp bedekt, tot het ogenblik van de overdracht. Nooit nog had Pfalzer of Peter of zelfs een van deze bekende geldvergaarders zoveel goud bijeen gezien als daar werd neergeteld, en nooit nog had een van deze Joden zulk een pand tot zich voelen komen, zulk een verwerkelijkt middelpunt van regerende Christenmacht, en zulk een daad van feilloos bevredigende geruststelling: het zinnebeeld, de saamgedrongen geest en bevestiging van de macht over een heel volk ging in hun harten over. Pfalzer stond met onberispelijke zakelijkheid bij de tafel, waar het glanzende geld in de zakjes terug was gegleden, dat nu onder zijn berusting en in het bezit van zijn meesteres was gekomen. Hij sprak de Joden toe: de Hertogin betuigde haar tevredenheid, en namens Hare Doorluchtigheid droeg hij, Pfalzer, het Pand over, onder de voorwaarden die in de Leenbrief beschreven stonden, wanneer die door beide partijen getekend zou zijn. Peter lei de twee grote pergamenten rollen met het zegel van het Hertogdom Neder-Beieren op tafel; hij had bij het rondzien Aron gemist; nu vroeg hij Pfalzer zacht, maar toch voor elk verstaanbaar en niet heel en al onbevreesd voor een bestraffing van die laatste poging, of de ondertekening van de heer Aron niet nodig was, die ziek geworden en heengegaan was. Pfalzer weerde kort met een schuddend hoofd af: er waren genoeg belangrijke deelnemers hier, en de som van de heer Aron was immers ingeleverd. Hij tekende, als gemachtigde van Judith, en nodigde toen, behalve Rabbi Israël, de anderen, Zorinnehet