'Ja! zwerven moeten wij. En daarmee bezetten wij met de Geest van God de hele aarde, hoe men ons ook ontvangen mag of bejegenen. En juist daarom, juist voor dat doel, drijft men ons ook rond.’
Dat was het uiterste lot dat men op de lippen durfde nemen. In dat ogenblik van gelaten ingebondenheid, maar wraarvan de oprechtheid toch door het machtsgevoel van het goud dat achter hen lag, gespleten werd, sprak Zorinne nog een spijtje uit omtrent Fantin en Rifke. ‘Die man/ vroeg zij, ‘vanwaar kwam hij? Het was geen onwaardig man. Men had hem misschien kunnen laten. En die jonge vrouw, was het zijn dochter? Een malka, een prinses van schoonheid. Ja! Ik ben zover komen reizen om de Kroon van Judith te zien, door alle midbars (woestijnen) heen; misschien had het die twee ook een genoegen bezorgd. Nu/ snoof zij, ‘het is gebeurd. En nu is Aron zelf moeten gaan, men mag niet zeggen dat het een kleine straf is voor onze hoogmoed, God mag hem gezondheid geven.’ Een zacht lachen beloonde haar guitigheid, en een ogenblik gleed de gedachte door sommigen heen: zo hoffelijk is men jegens die jonge ‘malka’ niet geweest. Zo is het leven, meenden zij: geld is macht, omdat het Leven voor ons betekent.
Maar als Aron zijn hoestaanval als een voorwendsel had gebruikt om hen te verlaten uit ongerustheid, dan was zijn waardigheid toch ernstig geschonden. Zijn overwicht vervluchtigde heel en al in de blikken die de acht anderen elkaar toezonden, toen een Joodse bediende binnenkwam en aan-kondigde:
‘De Heer Rentmeester van de Hertogin.’
Door Peter en een viertal bedienden gevolgd, verscheen in de wijde deuropening de volle zekere figuur met de rozige konen en de grijze heldere ogen van Wilhelm Pfalzer. En tussen hem en Peter in, op een kleine houten baar en in kostbaar grijs fluweel met volle plooien, de Kroon.