met een mooi lapje pergament . . . ’ En Konrad Krieg, de Vogt van haar plaatsje Dieburg? Ook tweehonderd gulden. Dat zijn heffingen over alle heffingen heen. Ereschulden, maar niet tot hun grote eer. Twee weduwen van Ridders hebben samen bijna drie duizend van haar, en dan is er een Dietrich Gans, de oude noemt men hem, en zij moet zeggen, geen slechte naam want hij waggelt en hij gaggelt; vijftien en een half honderd gulden op zijn Riddergoed. Alles Ridders en Adel uit de omgeving. Haar grote zonen Wolf en Kalman schudden wel eens de hoofden. Zij keert zich om: en haar man? Hebben zij dan iets bij hun vrouwen te bestellen? Haar man heeft zijn eigen zaken. Hoofden schudden dat kunnen wij allen tot elkaar (haar blik richt zich wel nu en dan naar Rifke). ’Men leeft van de renten, en men weet. . . een dag kan komen. Nu, dan hebben wij geleefd. De Christenen zijn niet altijd even aardig voor ons. Neen. De Hertogin was bang dat ik haar de keel zou afsnijden, misschien omdat zij een Jodin en met een Christen getrouwd is; ik weet het niet. (De meeste mannen hoofdschudden ontkennend, maar Michael zei: nu, het ruikt daar anders wel naar gedoopte Joden, en wees naar de deur). Nu, lacht Zorinne, ik had juist mijn vier grote zwaarden niet in mijn reistas, maar een goudstukje was god zij gedankt ook goed: hij ziet elke dag Zorinne niet, die huismeester.’
De anderen hebben bevrijd en bekoord gelachen, en nu knikt men weer, en ziet voor zich heen: zij zijn machtig, maar het uiterste bestel van de wereld heeft hun God in handen en dat wordt hun niet meegedeeld.
Rifke en Fantin stonden nog altijd, verlegen; het was meer uit verwondering dan uit onhoffelijkheid dat men hen niet tot zitten genodigd had. Nu was de voorganger van de Joodse gemeente Nordlingen binnengekomen: Rabbi Israël, een strenge kerel met een puntige schippersbaard. Van zijn blanke bovenlip die misprijzend binnenwaarts viel, liep een bitse trek, zijn