verzorgd, met puntbaardje en blanke handen; hij zag vrolijk belangstellend rond, terwijl hij met hoge stem tot de heer des huizes sprak, Rabbi Salomon, een gezeten man met fijne trekken binnen zijn dunne ringbaardje, de schoongeknipte bovenlip was daarbij niet zozeer eerbiedwekkend van geleerdheid, maar twijfelloos aanzienlijk. Bij die twee zat ook de enige vrouw van het gezelschap, de meesteres van de beide liedjeszangers, een mooie matrone, bleek, met geestige bruine ogen en een dunne, scherp gesloten mond; haar goede blanke spitse handen bewogen onder het gesprek met lichte levendigheid uit de zwarte zijden stof van haar eenvoudige rijke kleding. Het was Zorinne, de bij de Joden beroemde bankierster ‘uit Frankfort’ maar die in Dieburg woonde; in haar eigen wagen met flinke gewapende bescherming was zij heel van daar gekomen omdat het zulk een belangrijke zaak gold en ook wel uit levendige reislust. Met zachte stem vertelt zij van haar beslommeringen alsof het een ontspanningsspel geldt; een tewerkstelling van haar regelings- en bestuurstalenten. Geboeid en bekoord luisteren allen, en men knikt verderop als zij zich vriendelijk omkeert naar de bereikbaren buiten haar groepje en de schouders optrekt als een soort wijze verontschuldiging die alles tot scherts maakt. Op de vingers van haar mooie handen kan zij wel vijf duizend kostbare guldens aftellen die zij louter op schuldbrieven zonder een speld als pand heeft uitstaan (wat moet zij een mooi meisje geweest zijn, denken de mannen). Nu, moet men het soms zeggen? Als de Aartsbisschop komt vragen (ja, lacht zij, hij komt niet, hij is veel te bang voor mijn man en zij roept daarmee een korte schater van een half dozijn mannen los), maar zo’n Aartsbisschop wil juist van haar wel eens een vriendelijkheid zien. ‘Hij moest onlangs duizend gulden, op een schuldbrief, men kan het begrijpen, hij had geen schijfje brood meer in zijn paleis. Ik heb de schuldbrief bewaard,’ zegt zij, ‘maar als ik iemand een genoegen kan doen