schroom van haast bij Fantin, en niet zonder twijfel aan het nut van haar aanwezigheid daar, kwamen zij het ruime vertrek binnen, dat voor zo velen de plaats was van een voor vele eeuwen heugelijke gebeurtenis. Een Joodse bediende van het huis hield hen een ogenblik staande: Fantin werd verzocht, zijn wapens af te geven, want al stond het niet vast dat de Hertogin persoonlijk het gezelschap zou begroeten, het was haar uitdrukkelijk verlangen, nooit gewapenden die haar onbekend waren, om zich heen te zien, en vooral deze ontmoeting diende zich door een geest van vrede en vriendschap te onderscheiden, waarom Hare Doorluchtigheid dan ook zonder gewapende begeleiding zou verschijnen. Fantin zag de man een ogenblik aan: het is niet aangenaam, zijn verdediging in handen van een Jood te moeten laten op bevel van Christenen; maar het schemerde in hem toch van ongewisheid omtrent Judith, een vrouw, een vorstin. Hij gaf zijn dolk en zij traden in een grote met veel kaarsen verlichte kamer, waar in het midden een lange tafel met kostbaar blauw fluwelen kleed wachtte, dat Fantin dadelijk aan een Thora-mantel deed denken. Een achttal Joden, deels met baarden, ook met schone gezichten, en aan hun propere kleding als rijken herkenbaar, zaten in kleine groepjes langs de wand, enkelen in gesprek, anderen bezig met bekijken van versierde Machsoriem, gebedenboeken voor de Feestdagen, die van planken langs de muur waren genomen. Geen van hen die enige aandacht besteedde aan het zwijgende middelpunt van dit uur: op een zitbank langs de wand, een leger van grijze linnen zakjes, een speel-goedbataillon, goud, goud en nog eens goud, keurig in rijen opgesteld, die uit Trier en Strassburg met blauwe, die uit Nordlingen met rode linten om de halzen gestrikt, de tegenwaarde en ruil tot het bevredigende en overstelpende geschenk van vertrouwen dat straks zou komen. De acht grote geldgevers, de kern van het Joodse bankiersleven, zaten tijdens