‘Voor de Joden ben ik uw dochter/ zo had Rifke het geregeld. En dat aanvaardde men, ook Fantin. O ja, er zijn moeilijkheden bij het overnachten, buiten de koets. Daar is niet altijd een afzonderlijk vertrek voor elk van de twee, en het meisje weet maar weinig van de nachtliedjes, die Fantin haar in gedachten en onder liefelijke kwellingen toezingt. Maar hij mag dan een ogenblik aan het twijfelen zijn geraakt omtrent de voorkeur tussen liefde en broodwinning, Nordlingen moet bereikt worden, en het wordt bereikt, zij het dan door woestijnen van uitputtend gevaar, van heldhaftige zinnenbeheersing en van gemetseld geduld. Mag dan voor Fantin veel ongeluk zijn weg naar hier doorbroken hebben, mag hij zijn beide vrienden betreuren die in plaats van tot hun glorie in de hoge kringen van de Geldhandel te zijn opgenomen, door een afschuwelijke gril van het lot in de vlammendood werden gestoten — hij mag toch niet ondankbaar zijn jegens zijn God, die hem deze plaats heeft laten bereiken en dat erkent hij dan ook in zijn dankgebed voor de gevaarlijke reis. Deze tocht had hem, na veel zorgelijke nachten, na omwegen waarmee dadelijke dreiging moest worden ontweken, na dagen rijden door bossen waarin alleen Rifke nu en dan aan het hoorbaar ademen van de lente een genoegen had beleefd, — werkelijk naar een overwinning gebracht. En het meisje zag opnieuw zijn kinderlijkheid in het gebaar van feestelijke voldoening, waarmee hij, binnen de poort van Nordlingen, zijn Christenkleed aflei en het over zijn arm rolde met een blik die haar bij een glimlach uitnodigde, met het hare ook zo te doen. Een Jood in een straatje lichtte hen in omtrent de woning van Rabbi Salomon, waar de grote overeenkomst gesloten en betekend zou worden, De afstanden waren gering, en niet zonder