lijke maar onmisbare vrijheid te bezoedelen, te verdoven en onder de algemene slavernij te verstikken. Maar zij is mooi en mooier dan veel van het vele dat zij gezien hebben. Hoe bescheiden en toch vrolijk, hoe schrander en toch nadenkend. Hij kan met vaderlijk welgevallen toezien, hoe die knaap, met zijn wonderlijke maar boeiende uitspraken, het hoofd omlaag maar de blik naar Rifke gericht hield, zo alsof hij die uitspraken moeizaam uit zijn chaos naar voren greep en opstiet naar haar oordeel en haar troost. Reb Simeon, dat was hij, had ook boven Ozia’s beminnelijke verstandelijkheid, de bonte gevoeligheid van Rifke ontdekt, haar grotere innerlijke moed en haar natuurlijke, levende moederlijke wijsheid in de guitigheid van haar beheerste maar bijna dartele bloed. Een knaap, zo blond alsof hij hier verdwaald was en daarom geliefd en geëerd, maar door een kern van rusteloos arbeidende ernst tegen ijdele verwendheid beveiligd. Hij antwoordde niet op domheden of onbelangrijke beslistheden; hij leidde zijn gevolgtrekkingen uit uren van stille overdenking niet in, maar sprak ze uit alsof ze, zoals Ozia eens gezegd had, pijnlijke geboorten waren. Hoewel al wat hij die avond zei, verbijsterend klonk, verbaasde hij Rifke toch met haar te zeggen dat die Beierse Lening goed was; dat hij er niet in meeging, maar dat het leven niet kon stilstaan. Fantin, terwijl de liedjeszangers en Ozia glimlachten, nam die instemming met zijn grote zaak als een onverwachte winstpost op, en meende dat Rifke uit die mond een treffende afstraffing kreeg voor haar dwaze koppigheid jegens haar goedwillende oom. Rifke zette grote ogen op, maar pas later lachte zij, toen Reb Simeon opeens zacht uitstiet: ‘Men moet altijd kunnen blijven leven.’
‘Zonder de Hof Eden? En waarom?’
‘Om te zien hoe de Lening afloopt,’ lachte hij.
‘Waar de Kroon zal blijven? Wie van de rijkste Joden hem in zijn huis zal bewaren?’