deelde, zo zakelijk, en daarom tot aller getroffenheid. De leraar weerstreefde: hij leek op die Christenen, verweet hij, die alleen in de woorden van de Bijbel geloven, en die door de Paus niet als goede Christenen erkend werden.
‘Dat word ik ook niet,’ schertste Reb Meijer droogjes. En daarbij kon ook Fantin weer even lachen, die overigens met een laatdunkend gezicht zat af te weren wrat al te nieuw voor hem was. Rifke was de uitspraak een gebeurtenis, niet zozeer om de inhoud van de gedachte, als wei om de levende frisheid van die eigen onderzoekende kracht. Was hij niet de enige van allen die zij ontmoet had, die een afgerond persoonlijk leven scheen te bezitten en tegenover de anderen die het van de wereld ondergingen, alles opnieuw bezag? Hoe zwak, hoe klein -was nu Onkel Fantin daarbij.
Opeens viel de jongste gast, Rabbi Juda’s kleinzoon, in tot de liedjeszanger:
‘Ge hebt een regelmatig loon? Ja?’
‘Ja. Mijn meesteres is niet gierig. Zij geeft ons een redelijk onderhoud.’ Hij antwoordde vrijuit, maar bleef toch vragend kijken, evenals de anderen, die daarbij in een lichte lach schoten.
‘Ge spreekt als iemand,’ zei de blonde knaap, ‘die zeker is van zijn brood.’
De tweede Potsenmaker, de rossige en schele, knikte vergenoegd, ook hij een vriendelijke glimlach. Hij begreep niet alles van die verrassende vaststelling, maar hij was er zeker van dat zij belangwekkend was. Hij zag een ogenblik om naar Rifke, tot wie de knaap eigenlijk gesproken had, en zag wreer vóór zich; altijd de ogen sluiten voor het met verlangen naderen van die heerlijkheid, die dan ook van de aarde is, van de hemels lijkende aarde, maar niet voor hem. Meer dan een bemoedigende en onderhoudende liefdes-buitenkans mag hij van de Vrouw niet ontvangen, of de gezetenheid dreigt de moei-