‘Aan de Ziekte ook?’ vroeg Fantin in een gevoel van verzet.
‘Aan de Ziekte kan men niet zeggen/ sprak Reb Meijer zacht, ‘wel zeker aan de uitbarstingen van verderflust in het volk. Wij hebben er genoeg van gehoord en gezien.’ Maar dat was niet het belangrijkste dat hem op de lippen lag.
‘Het Gan Eden, die gelukkige hemel die na de dood als loon voor grote deugd wordt verlangd,’ zei hij met zacht verweer, ‘behoort niet tot de Joodse Leer.’
Dat sprak Fantin tegen. Het werd toch in allerlei geschriften vermeld, en bij de zegen-afbidding voor de doden duidelijk uitgesproken?’
Nergens in de Vijf boeken Mozes, antwoordde Reb Meijer kalm hoofdschuddend, werd van een leven na de dood gerept. En zelfs in de geschriften waarop Fantin doelde, zei hij, werd nooit met beslistheid daarvan gewaagd. Het kwam eigenlijk plotseling hier en daar te voorschijn, en het w^as niet in overeenstemming met de werkelijke Joodse Leer.
‘Hoe?’
Rustig en onaantastbaar ging hij verder: het leven zelf is het Joodse doel genoeg. Alleen God zelf is het enige dat wij niet lichamelijk zien en toch erkennen. ‘En de geest Gods zweefde over de wateren.’ Hij zag bij die laatste woorden omlaag; men was er stil van.
‘Ge betwist Gods lichamelijkheid?’
‘Die betwisten wij allemaal. Wij zeggen toch dat God overal is? Nietwaar? De Christenen hebben hun God mens laten worden, niet wij.’
‘En ge meent dat het leven na de dood van de Christenen afkomstig is?’
‘Het komt van de Heidenen,’ zei de liedjeszanger. ‘En de Christenen hebben het van de Heidenen overgenomen. Het leven zelf legt ons volle verantwoording op voor onze daden.’
Hij sprak het uit alsof hij de oorsprong van een lied mee