haar vertedering jegens dat eigene onbegrensd leek, dat zij allen daar aan haar jonge berstensvolle hart had kunnen bergen. Daar was de leraar, de halve geleerde en half wijze, met zijn vroeg kale schedel en zijn dunne lippen onder een gebogen maar toch geestloze neus, zijn te kleine ogen die gewend schenen de scherpte voor te wenden waarmee voortdurend wanhopige gooien werden beproefd naar een woord dat moest treffen. Een man die voor haar niet mee kon tellen, en die toch nu haar begane genegenheid kreeg meegedeeld. Daar was de volledige Am-ha-eerets, de zeldzame analfabeet, die zijn schemel bezet hield zonder zich af te vragen of dat hier gegrond en dus geoorloofd was, en zijn verwardheden steeds verstorend in het gesprek stak zonder schaamte voor de misplaatstheden waarmee hij de anderen ophield. En Rifke had hem over zijn te grote hoofd kunnen strijken en haar blik in de zijne boren als om een diep verstolen bron van menselijke eenvoud in hem te ontsluiten met de kracht van haar liefdevolle wil. De reizende zanger, Potsenmaker, die, in dienst van de rijke bankierster Zorinne ‘uit Frankfort,’ maar die in Die-burg woonde, hier op de Bruiloft van Susman en Liba had kunnen zingen omdat zijn meesteres, zelf van huis, hem vrijaf had gegeven, was met zijn maat nog in Worms, zij leefden er enkele weken als ernstige burgers, zonder narrenpak en zonder een spoor van de ambtelijk vertoonde dwaasheid. Zijn donkere kop niet te groot, eenvoudig verzorgd, liet geen enkele twijfel over aan zijn volwaardigheid en zijn zelfbewuste ernst; het was voor velen wonderlijk, hoe de grapjas van het feest, met een rust alsof hij tussen hen was opgegroeid en niemand enige dank schuldig was, met zijn vriend ergens te gast zat, zijn kernig maar beheerst deel in de gesprekken zette, of in de Synagoge verscheen bij de gebedsdiensten. De tweede, met zijn rossige kop, zijn schele ogen en kleine neus opvallender dan hij, werd in hun zachte onderlinge opmerkingen als aan