moesten zitten: poten, schonk en koppen van geslachte dieren. Rifke had de hoofden in de verstikkende zakken zien verdwijnen, goede gezichten, open, bezonnen en in het mensenleven gelovig, zachte blikken zonder wrok en vol nieuw begrip, alsof zij naar een gelukkige toekomst op reis gingen, het beste dat leefde onder de Christenen van haar dagen. Het waren ketters, die de vrijheid van de persoonlijke mens tegenover de Kerk en haar dogma hadden gepredikt, de blijvende gehoorzaamheid aan de Pauselijke macht hadden verworpen, nieuwe burgers van nieuwe steden, vohooiers van de woorden van de Geselbroeders, beëindigers van hun aarzeling en verwarring. Rifkes laatste weerstand tegen de uiterste bedroefdheid zonk ineen, toen zij de zakken door de lmechten zag opslepen en wegdragen naar de tonnen. Daar werden zij ingestouwd, en met hamer en nagel werden de deksels erop getimmerd alsof het gezouten beesten vlees was dat vervoerd moest worden. Met ambtelijke minachting omdat er zonder geestelijke bijstand gebeden was, rolden de Knechten de tonnen naar de waterkant, en daarvan af in de stroom. De Kerk sloeg toe, met wilde bitterheid, vergeefs, naar zij niet wilde begrijpen, tegen de voortgang van het bloeiende leven dat zij niet kon en toch wilde blijven beheersen; de Rijn nam. haar schande mee. Rifke stond met wijdgesperde ogen van ontzetting, en als gebroken van de diepste begaanheid met. dat leven dat in zijn hoogste vruchtbaarheid werd weggesneden. Het was avond geworden: een paar fakkels beschenen de gruwel van de overmacht waarbij zij zich verslagen voelde, en alleen het bewustzijn van haar inzicht omtrent het waanzinnige Kwaad hield haar staande. Zo verslagen kwam zij bij Ozia terug, en vond daar deze keer ook Fantin, behalve enkele bevrienden. Zorgelijk ontweek zij Fantins blik, en meende zich voortdurend dichtbij de twijfel omtrent haar weigering. Zo geladen en bedekt met leed uit razende vergissing was de wereld daar en de hunne hier, dat