Zij liep van hem weg, met vochtige ogen.
Haar moeder was toch een mooie vrouw geworden, geestig, mild en streng. Hoe stak nog altijd die wond in haar van grenzeloos meelij en van hunkering, als zij moest denken aan dat levenseinde, met een stukgeslagen schedel die verstand en liefde dekte, en zoveel wijsheid en gevoel voor vrolijkheid, dat zij moeder kon zijn van alle mensen. O ja, daaraan had Fantin wel geen schuld, maar hij had er ook geen deel aan van vertrouwde, zoals het had behoren te zijn.
Zou iemand geloven dat zij die moeder kon verraden?
Zij zat die avond vol onuitgesproken maar toch uitstralende mildheid bij het gezelschap in Ozia’s woning. Van die volle zachtmoedigheid kende zij deze keer de herkomst. Daar was zij in de schemering nog als non de stad binnengegaan en had aan de Rijnoever een strafvoltrekking gezien die haar zou heugen. Een tros toeschouwers mocht zij voorbijgaan, die door de wachters die lange pieken droegen, tegen de huizenwand gedrukt stonden. En dicht bij het water stond zij als innerlijk vernietigd op het zien van zoveel nog steeds onmogelijk gedachte wreedheid. Een hoge beambte van de Schout stond kaarsrecht en onbewogen toe te zien, hoe zijn knechten een zestal mannen in zakken hielpen stappen. Bij geen vonnissing stond het volk zo als verstomd als hier, men zou kunnen denken dat het met weerzin en verzet de meedogenloze handeling volgde. Zes wijde kuipen, bier- of wijntonnen, stonden open bij het werk. Tot de laatste van de zes veroordeelden, na met gevouwen handen te hebben gebeden, in zijn zak gestopt en die boven zijn hoofd met grote steken was dichtgenaaid, werden de eerste vijf pakken achtereenvolgens languit op de kade-bodem gelegd. Om het midden van elke vracht was nog een dik touw geknoopt: men kon de vormen van de benen volgen, de opgeheven knieën en de bolling waar hoofd en schouders