‘Tja/ antwoordt zij, ‘elk een zuster verloren. . . ’
Hoe duidelijk voelt hij meer dan ontwijking, een bijna vijandige verwijdering in die woorden, waarmee zij de gelijkwaardigheid van hun verlies wil stellen: het moet het enige verband tussen hen betekenen. Fantin zoekt de vlucht, maar kan niet scheiden. Hij mompelt een oppervlakkigheid: ‘Ge hebt haar nog leren kennen, Belle.’ En elk denkt een ogenblik aan het verlies dat niet snijdend is: Rifke aan haar Chawwa die niet gered wilde worden omdat zij de vlucht niet kon durven; Fantin aan zijn oudere zuster die een goede huisverzorgster was, maar als loon hem duizend maal heeft geërgerd met haar indringende bemoeizucht, haar heimelijke lust om niemand een plekje in het eigen hart als eigen gebied te laten, een niet eindigende jacht naar ieders persoonlijke gevoelseigendom, onder het voorwendsel van goedigheid, zodat hij zich vaak met verbittering als innerlijk bestolen voelde. Zij is levend verbrand, zij heeft beter verdiend: Boroeg Dajan Ho-emmes, geloofd zij God, de rechtvaardige Rechter.
Maar hij moet opnieuw aanvallen, om niet on waardig te eindigen.
‘Ik heb een brief voor u bij mij; hij zal wel van dezelfde zijn. Het is mij niet begrijpelijk, hoe hij mij heeft kunnen bereiken. Ik kreeg hem in een herberg in Speyer.’
Zijn ogen blijven met treurigheid haar aanzien.
‘En uw zaak, Onkel?’ vraagt zij, als zij het verzegelde rolletje heeft gelezen dat Fantin haar uit zijn mantel heeft overgegeven. Het is een klein geschenk dat zij met die vraag brengt: ‘En uw zaak?’
Met geringschatting zegt hij:
‘Hij heeft mij ook willen ontraden, aan die Lening mee te werken.’ Rifke knikt. Peter schreef haar, dat hij overal bij de Joden vergeefs poogde, hen van die gevaarlijke zaak terug te houden, want dat zij allen hem voor omgekocht hielden. Hij