‘Niet lopen/ weert hij af, voor zich heen . Hij onderdrukt zijn weerzin en de wondende spijt om haar verband met de ander, dat er toch moet zijn. Dat is om van te sterven. Maar de begeerte overheerst, zij staat voor hem in al haar vernietigende pracht. En zij verandert het gevecht met één slag in haar voordeel:
‘Onkel, ge moet mij niet meer Ricia noemen. Ik wil weer Rifke hetend
Hij slikt de verliespost weg. ‘O/ klinkt het bijna onhoorbaar, ‘Rifke.’
’s Avonds op zijn harde bed bijt hij nog in die wond. En zijn worstelende gedachten brengen een herinnering aan, die verwart. Want dat gedicht van die Joodse zwervende zanger mag dan overeenstemmen met haar wens om haar jeugdnaam terug te nemen:
‘Soll ich in ihren ETof denn fliehen,
Zu niederen Stätte mich begeben,
Will heimwärts zu den Meinen ziehen In alter Juden Weise leben.
Der greise Bart wachs’ wieder lang,
Der weite Mantel hüll die Glieder,
Demütiglich soll sein mein Gesang,
Tief deck’ der spitze Hut mich wieder. . . ’
Maar waarom dan die voorkeur voor die Nar, die Peter?
‘Rifke. Zo heeft mijn moeder mij genoemd,’ besluit zij nog haar eis. Wreed is zij, en zo zacht, dat hij naar nieuwe wapenen moet zoeken. Haar ogen zijn van een glans die tegen hem schijnt te staan, en die toch zo over alle bekende werkelijkheden heen al wat leven is, verbindt, dat hij, teruggeslagen, alleen maar kan denken: Het Sjier Ha-sjieriem, het Hooglied, is meer werkelijkheid dan men weet.
‘Ik heb in Speyer naar u gezocht;. , , ’
2X0