XVII Het Hooglied komt vóór de vol
Zijn dan alle mannen haar zonen? Daar zag zij er velen, ouderen en jongeren, de avond vóór de dag waarop zij uit Worms moesten vertrekken. Die verborgen stroom van bezorgde innigheid is begonnen bij Fantins verkort verslag van wat hij in Strassburg beleefd heeft; en nu, met een lach en een schertsend woord bedekt, wordt hij door alle anderen ontvangen als een heerlijke jonge moederlijkheid. De Joden van het hele Rijnland en van alle gemeenten waar men ervan vernomen had, vastten om de ramp van Strassburg; er werd stil gesproken als in een sterfhuis. Want uit Bazel was nu ook bericht binnengekomen, dat daar de Gilden met de Geselbroeders enkele honderden Joden om het leven hadden gebracht, nadat er gemuit was tegen de Raad, die sommige burgers voor belediging van de Joden had verbannen. Het volk eiste de terugkeer van die aanzienlijke poorters, en toen dat was toegestaan, had de menigte haar toorn tegen de Joden volledig uitgevierd. Een houten huisje werd op een eilandje in de Rijn gebouwd, en toen de Joden daarin gestouwd zaten, in brand gestoken. Een harde winterdag in Januari waren allen in de vlammen omgekomen, op enkelen na die waren los gebroken en in de Rijn verdronken. Maar al kon ook zij, Ricia, morgen haar leven moeten eindigen, tot zolang zou zij al die zonen bezorgd liefhebben, wetend dat het zonen waren, en dat alle vrouwen in een wijd verband daarin als zusters naast haar stonden: waardige zusters en onwaardige. Was daar niet de onvergetelijke ontmoeting met Ozia? Een onmiddellijk besef van saamhorigheid, een verademende vertroosting? En heeft zij misschien niet daarom die Kloostermoeder om dat kleed kunnen vragen, en heeft de Abdis het haar wellicht niet daar-om gegeven? Zo stond zij eerst tegenover Fantin, toen hij op