ëdiging van de verbondenheid. Er waren maar weinigen ontkomen. Enkelen door de Doop; anderen in vermomming vluchtend; een paar vrouwen in nonnenkleren of met baarden om een lustoverval te ontgaan. Tot het ‘Adon Olam,’ door de sterksten opnieuw ingezet, zwakker en flauwer van de takkebossen over het Kerkplein zweefde, en eindelijk als een kleine blauw-dovende vlam bezweek in verkrompen lichamen, beenderenkool en as. De toeschouwende menigte scheen te zuchten; het zeldzame feest, de onvergetelijke Dienst was nu toch weer afgelopen. De opbrengsten werden berekend, maar bij velen niet zonder wrange weerzin. De grote raadselen bleven kwellen; zij waren allen samen, met honderdduizenden over de wereld, maar de feilloosheid van wat recht en goed was, lag niet ais een bedding van krachtige vrede in hun bewustzijn. Zij konden niet geloven dat alle kwaad met de Joden vernietigd was.
Kalman en Charitz waren, naar zij meenden, zeldzaam ongelukkig geweest. Op het ogenblik dat het Kerkplein bereikt zou worden, was een heraut van de Stad op de Joden toegetreden en had gezegd dat de Joden van Strassburg, jong en oud, waren veroordeeld tot de vuurdood, en dat dus zij die vreemdelingen waren, konden uittreden en vrij heengaan. Hij had het maar éénmaal geroepen, weinig luid, niet zonder tegenzin, want het stond, na al wat hij gehoord had, vast, dat Joden uit andere steden evenzeer levend verbrand dienden te worden. De boodschap was rond gemompeld, maai’ zwak en verbrokkeld, onder de worsteling van al die kleine en grotere trossen gestalten tegen de touwen, en Kalman en Charitz, aan twee oude Strassburger Schriftgeleerden gebonden, hadden het niet verstaan en het niet van anderen vernomen. Zij waren in hun verbijstering meegeschuifeld, en kwamen even jammerlijk, maar in deze gezamenlijkheid ongewend en zonder haar vervoering om ais