vende vlees werd geschroeid en door de vlamtongen gebeten, bij mannen, bij vrouwen en kinderen. Om de jonge kinderen werden velen tot radeloosheid en op de grens van de waanzin gestoten, als een Flagellant of monnik of een vrouw uit het volk ze met een blik naar de ouders aangreep voor de redding door de Doop. Moeders stonden voor een dubbele keus: haar eigen afschuw van het Christenen-leven waarin zij haar kind zou moeten achterlaten, en dan de wil van de man die zijn Wet onbestreden wil handhaven: tegenover beide afwijzingen blijft dat vuur, waarvan het einde zich voor de kinderen nog niet als een hemelse beloning bij hen geldend maakt. En soms, daar alle wapenen in de huizen waren gebleven, aarzelden de handen onder de weg naar de dunne kelen, maar wurgden toch het leven daaruit om het althans van de dood door de Christenen te bevrijden. Het kind zelf als het geen zuigeling was, stond verwrongen van de angsten en de vroege wanhoop en wist zo weinig te kiezen dat het soms meestapte in de gruwelijke vernietiging eer de ouders nog hadden beslist. Dat alles bleef voor de toeschouwende menigte vreemd, terwijl uit elk van die honderden kleine verbrandende werelden nog een sliert klonk van het lied, onder brekende blikken, door de verwoestende pijnen heen, en bij het voorbijsnellen van een her-innerings-beeld in sluimerigheid waargenomen: de goudglans van het feest, de vreugde en vrolijkheid van een bruiloft, een geliefd gezicht ergens ontmoet, de verrukking om stamelende kinderen. En verder waren er de wonderlijke hoogten van ’s mensen goedheid, verrassende uitblinkingen van offering en edelmoedigheid: een vrouw die een vijandin poogt te dekken; een man die een onbekende vrouw in zijn lange mantel wikkelt om het vuur te weren. Hoewel elk van die allen pijn genoeg voor zijn deel ontving, om de anderen te vergeten, waren er toch enkele vaders, moeders en kinderen, die een blik van genegenheid en bemoediging uitzonden als een laatste be