macht naar de wachters, naar de gewapende knechten, naar de duizenden opeengedrongen Christenen die het niet begrepen; het kwam bij de besturen van de Gilden die, met hun vaandels opgesteld, het evenmin zo snel verstonden; naar de honderden Flagellanten die nu ongewapend en buiten dienst, ook ongeduldig het gevolg van hun moeite afwachtten. En eindelijk hoorde het ook Bisschop von Buschegg die zich een zetel had laten brengen en door een zestal monniken omstaan, het feest zijn volle onderschrijving gaf, naast de leden van de Stadsraad in hun warme kleren. Die Stadsbestuurders en von Buschegg hoorden het tartende roepen van de Joden met een vleug onthutsing aan: ‘Ecclesia heeft hulp nodig! Ecclesia heeft verloren!’ Zij zagen om naar de beelden alsof daar iets mee gebeeurd was, daarna pas drong de zin van de honende kreet tot hen door. Maar God heeft hun toch die macht gegeven, het moge verder zijn zoals het lot het wil: het ligt alles hiertoe, en de Heer is duidelijk met hen. Nog enkele tellen en de kreet zal ineenzinken in de kelen van de rebelse Joden; hun Messias komt niet; zo dadelijk zullen de Knechten de schreeuwers op de houtheuvel drijven en het vuur zal beginnen, de benen van het gebroed te pijnigen. Het vaag aanlopend besef van ongewisheid is storend, maar daartegen is de Daad immers genezend in zijn voltrekking, en de Joden gaan naar hun Jodenhemel, waar zij tevreden zullen toeven. Zij wisten nog meer aan bevestiging en steun: dat immers over heel het Duitse Rijk, de Pestgolf vooruit, die bloedstorm tegen dit onbegrepen Kwaad had ingezet. Dat was alles waar; alleen het roepen hield aan, venijnig, met alle haat en geringschatting die het nog durende leven van de Joden kon loslaten, en dat was hinderlijk, omdat er toch niet meer gestraft kon worden dan met levend verbranden. En dat zingen in de onverstaanbare taal was ergerlijk in zijn uitdagende hooghartigheid. Een paar knechten hadden zwijgen bevolen, maar het ant