houwer had alles van de ontmoeting liefelijk gehouden, maar beslissend; de jonge vrouw die de Synagoge verbeeldde had niets van een Joods uiterlijk, maar was Grieks; Ecclesia’s gekroonde hoofd, met een manteltje van volle haarlokken, vras klein en haar blik zusterlijk triomferend. Maar het was die minzaamheid, met zekerheid gevuld, die de Joden zo prikkelde, want geen van hen, ook de gedoopten niet, had ooit zulk een ogenblik van verootmoediging jegens de Christelijke Leer beleefd. Zij lachten er honend om, met verachting, in het volle verzet van de geborgenheid in een eigen Wet die hen, bij angsten en vernedering, de stille kennis schonk van menselijke onvolkomenheid, daarbij een schemerend geloof in volmaking en een rijkdom van vreugde en innigheidsontroering. Daarom bruiste in de arme smid, in de touwen van de Strassburgse stadsknechten gebonden, de zegevierende moed omhoog, bij die zang van hun God verheerlijkende, levensbevestigende samenheid; de vriendelijkheid van de Ecclesia werd aanmatigende mildheid voor hem, en de overgave van de Synagoge een Christelijke wensdroom. In dat begrip van het geweld dat hen hier allen gegrepen had en dat voor hem ook de Ecclesia dekte, zag hij heel dat toneel en ook de daad van de Christenen van dat ogenblik als een drieste Leugen van de louter stoffelijke overmacht. En daarom sprongen die woorden naar zijn hersenen ; vol verachting voor alle daad en stof en vol trots om de geest die bleef heersen:
‘En toch heeft Ecclesia verloren Zijn vastgebonden buurman werd wit van vervoering.
‘Ecclesia heeft verloren!’ herhaalde de smid, ‘zij heeft hulp gezocht, zij heeft een brandstapel nodig om te winnen!’
De ander keerde zich en riep het verder, riep het rond als een reddende vondst; het sprong van hoofd tot hoofd; het kwam bij de Rabbijnen die het vingen met verrassing en verrukte hoofdknikken. Maar het volk schreeuwde het nu uit alle