hadden bestreden: ‘Elke dag smeken zij hun God om veiligheid en vrede, en gaan nochtans verder met hun gevaarlijk bedrijf.’ Om instemming werd daarbij niet gevraagd; zij zagen grammend vóór zich, maar het antwoord uit meerdere monden deed hen toch verstommen: ‘Wat dan? Kunnen wij misschien allen Rabbijnen zijn?’
Toen keerde zich een van de voorzangers om, een nog jonge man, om leiding te geven. Het was Rabbi Samuel; binnen zijn rossige baard stond zijn huid trillend wit van aanstromende Wil, en de bruine ogen zagen flauw in het leegademen van de Krachtbron door de kleine sterke sluizen heen van zijn saamhorigheid die redding begeerde. Hij zag moeizaam om naar de kop van de stoet die hij had willen bereiken, maar zelfs het omwenden naar de kleine dichte massa achter zich was niet gemakkelijk, want de knechten, onder hun gestaarte mutsen, met hun messen in hun gestrikte1 gordeldoeken, stieten hem rechtuit verder. Toch riep hij: Joden!’ En zonder verdere verklaring zette hij zingend zijn lied in: het ‘Adon Olam,’ hij hield zich aan zijn ambt. Een schrik sloeg eerst als een bliksem in de Joodse menigte; hij kwam er weer uit met een golf van galmend geluid door de kelen heen, van alle mannen, van de vrouwen, van de kinderen:
‘Heer der Wereld, die regeerde Eer enig wezen geschapen was. . . ’
Het lied zwol over de straat, in die lucht, waar het nog nooit had rondgedreven; nu stroomde het boven de hoofden van de Stadsknechten die opkeken en elkanders blikken zochten, en nerveus lachten om die bevrijdende moed van de Joden die gingen sterven en een Psalm zongen in hun dwaze taal. Het was het lied-gebed, als nachtgebed bestemd, en daarom door de Voorzanger gekozen. Hij zong het dankbaar bewogen boven allen uit: hij had de enkelvoudige angsten verdreven en hen verbonden in één dadelijk verschenen gezamenlijk zelfbewust-