voeten door de kille modderige straat die uit zou komen bij de Kerk. Om hun heffingengeld had de Landsheer tegen de Keizer, de stad tegen de Bisschop gevochten, en die Stedemacht had hen nu veroverd, heel en al, met hun gehate en begeerde geld en panden, en hun gevreesde Wetsrollen en gebedenboeken die zij achter moesten laten; met hun onbuigzaamheid, hun geheimen, hun angsten en hun vrede-aanbidding die zij mee mochten nemen. Er werd met hen gehandeld als met een korf vol vreemde kevers, waarvan men niet nauwkeurig wist of zij schadelijk waren of nuttig. Paus Clemens had zijn Jodenprivilegie manend hernieuwd: geen dwangdoop, geen letsel of beroving buiten de Wet. Maar het ‘Gods toorn kome over hen’ was de laatste uitspraak die over hen geklonken had, en ’Gods toorn’ verstond ook Strassburg als de Brandstapel, die nu immers door het Raadsvonnis Wet was geworden. Daaraan durfden maar enkele Joden te denken en het tot een vertrouwde mompelend uit te spreken, want al was het vonnis bekend, als altijd weigerde de blik de volle vreselijkheid op te nemen. Ook al waren de klokken van de torens begonnen over hen heen te beieren, in een zware eentonig daverende plechtigheid, waarvan zij het offer moesten zijn, het geloof in het Leven, tot hoogste Wet geworden, moest blijven uitzien naar het reddende Wonder. Het ‘ze zijn er nog niet met ons,’ klonk uit een mond als een machteloos gespartel, en kreeg antwoord uit gezichten, vaal van angst. Uit een ander werd als eerste bemoediging een woord van hooghartigheid door de dichte rijen overgebracht: ‘De Christenen hebben het koud, zij willen zich aan ons warmen.’ Met doffe hoofdknikken, met afwerende schouderschokken en met schamper instemmende lach werd het ontvangen: ‘de Christenen hebben het koud. Ze zullen het nog kouder hebben, morgen.’
Enkele Rabbijnen bleven tot het laatste ogenblik in manend verzet tegen een levenswandel die zij met hun halve deugd