Zaterdag veertien Februari, een zachte winterdag, werd de kleine bewaking van de Jodenwijk door een sterke troep bewapende knechten en handwerkers vervangen, die jong en oud uit de huizen haalde en bijeendreef voor de gang naar het Munsterplein. Er was strenge opdracht dat geen geld, schuldbrief, pand of enig ander voorwerp van waarde in de dood mocht worden meegenomen. Charitz en Kalman, eerst met Fantin opgesloten in die kleine wereld van angstgeladen stilte als een grote luchtdichte kist, waren in de ontreddering van die heftige overval van hem gescheiden geraakt, en zwegen met toegeklemde monden als de rest. Grijsaards en kinderen, Rabbijnen in fluweel of in de vaalheid van de zwarte mantel, en de gewone Baal Habaajies, de ongeletterden: kleermakers, schoenmakers, smeden, logementhouders, barbiers, muzikanten, arme leraren, een paar artsen; jonge mannen, pas getrouwd, en knapen; vrouwen en meisjes met haar tevredenheden en verborgen dromen; kinderlozen die de vruchtbaren hadden benijd en de stilstand van haar baarmoeders hadden afgebeden; moeders met zorg voor de vroege uithuwelijking, nobelen en schraapsters; liefhebbende dochters die zich oefenden in de milde vreugde van het dienen, knapen tegen de kraamsoep beschermd, bruiden vol spannende of vreesachtige verwachting. Dat alles zweeg, zweeg; de mannen met hun laatste gedachten aan het zakenbelang, dat zij zagen verkruimelen tegen het eigen doodsbeeld, elkeen bezet met de vermaling van het einde dat onontkoombaar stond te wachten. Want er was nog geen gezamenlïjkheidsbesef anders dan wat de aanwezigheid van die dichte eigen massa hun opdrong. Zo gingen zij, met sterke touwen aan trosjes van vier of vijf aan elkaar gesjord, boven een geschuifel van een paar duizend