gedurende dien tijd nimmer een blijde dag gewinnen, maar uw bloed vergieten. Dan wil Hij Zijn bloed nimmer aan u laten verloren gaan, en af laten van Zijn toorn tegen de arme Christenheid. Maar over alle woekeraars, en over allen die rente nemen of daarop uitgaan, over hen kome Gods toorn, tenzij dat zij zich bekeren!’
Uit de geladen stilte braken nu de schreeuwen los, wild, loeiend. Witte gezichten, scheve ogen in de tomeloze vaart naar de Daad, en lichamen die zich rondwendden en stietten om los te komen en te gaan.
‘Naar de Joden!’
‘Naar het Raadhuis!’ werd geantwoord.
En daar stormden zij heen, terwijl zij elkaar onder de voet liepen, velen met het voornemen, straks bij de Geselaars aan te sluiten. Het was een boeiend avontuur, men werd onderhouden, men hoefde niet te werken.
Een groepje van een tiental Strassburgers was op het plein achtergebleven. Zij stonden om een man heen die op de ongeplaveide grond lag, zij meenden dat hij in het gedrang vertrapt was geraakt.
De man lag roerloos, maar geen van de omstanders had de moed, hem aan te raken, en zelfs niet de anderen zijn ontsteltenis mee te delen.
Hij was dood, hij zag blauw.
Het was de Pest, die men de hete noemde, door de Geselaars meegebracht, die hem geveld had.