Gij weet dat Mij de macht is over alle creaturen, in de hemel en op de aarde, in de afgrond en overaL’
Het werd gezegd op de wijze van die dagen: langzaam, gebrekkig, en met een klemtoon diep uit de borst gestoten, die latere geslachten zou hebben doen bulderen van het lachen. Meer dan Priesters, werd toen gemaand, moest men die God vrezen, in een dadelijk verband van mens en zijn verantwoordelijkheid in arbeid en wandel, met het Opperwezen dat uit Zijn hoge zetel toezag:
‘Maar wanneer gij hoort naar Mijn stem en Mijn gebod houdt, en u af keert van uw zonden, zo zal Ik u niet vervloeken voor altijd en eeuwig.’
Daarop kwam het besluit; het stak de gevolgtrekking en het onderwerp van hun bitterheid niet alleen in hun hersenen, maar ook in hun handen, die waren gaan trillen van het hete ongeduld tot ontlading, tot Daad, tot Geweld dat moest bevrijden. De Meester wenkte tot bizondere aandacht. Hij las een brief voor die, zei hij, Christus had geschreven in Jeruzalem en die op het altaar van Sint Peter was gevallen. Hoezeer het volk, door het misbruik van zijn onwetendheid met zulke mededelingen, zijn verborgen twijfel aan die wonderen ook onderhield, nu ze uit de mond van de vernieuwers klonken, werd hun onzekerheid door hun gewilligheid doorschokt. En er woei een beving van ontzag door de dicht opeenstaande Strassbur-gers, men kon alleen nog maar een paar zuchten horen en het krampend piepen van ingehouden vrouwengeluid. Toen kwam de Brief:
‘O gij zeer arm geslacht! Gij weet dat ik aan dat helse volk, aan de Joden, heb gegeven de oude Wet, op de berg Sinai, en die houden hun Zaterdag.
‘Maar u heb ik gegeven de Wet des Heiligen Doops, met mijne ziel zelve.
En welke priester deze boodschap aanhoort en afschrijft of