naakte bovenlichaam, zodat dunne bloedbeekjes overal langs de huid dropen. Zo wild als de ogen van de zelfpijnigers stonden de ogen van het volk: puilend, met witte pupillen in schuddende hoofden, de kelen dreven daarbij een zacht gieren van bewondering door de dichte menigte. Er waren, onder bezwijkende blikken, monden die scheed trokken tot aan de halzen, en die kwijlden van buitenmatige opwinding. Het spel ging verder met de geesten te schudden, die los voelden raken wat van geslacht op geslacht bekleven zat. De leisen sloten aan op hun Godsbeeld: Maria werd bezongen die in grote nood zou verkeren; Christus werd sprekend voorgesteld:
‘Zondaar, waarmee walt gij mij lonen?’ Voorzingen, samenzingen, neervallen werd herhaald; opnieuw opstaan en zingen, dan weer knielen, handheffen en meezingen. Beurtzang en beïnvloeding door de herhaling, waren plechtigheden uit het Oosten, door de Kerk ingevoerd en voor de menigte van het nuchtere Westen nog altijd treffend: de bewogenheid van het Strassburger volk brak over zijn gekende grenzen heen; gejammer begon te klimmen, gillen van berouw en willoze overgave, kreten en zuchten van lichamelijke bezwijking, door het geschokte toezien van het bloedige slaan.
Mannen en vrouwen lagen in flauwten, toevallijders trappelden, en sloegen bij beschuimde monden met de armen als kleine molenwieken om zich heen. Op de grote toespraak na was de dienst geëindigd; de burgers mochten nu geld geven en gastvrijheid bespreken.
Toen kwam de vervanging van de Kerkpreek, op de profeten Jesaja en Jeremia ingesteld. De Leider liet hun God spreken, die zich alle macht toekende over leven en tijd, de hoogste Rechter die, hovaardig als een mens, in onverbiddelijke handen de zedewet hield:
‘De dagen zijn Mijn, Ik heb ze geschapen, en allen tijd.