zich gegeseld. Een leger, groter dan het hunne, van meegesleept volk uit verre omgeving en nu uit Strassburg zelf, schuifelde achter hun aantrekkelijke bontheid en redding belovende zekerheid .Het volk kwam als een kudde loeiend rund toesnellen naar het plein om de Munster, terwijl de klokkenluider de zware bellen uit zijn toren over de stad liet galmen, op die straten, die weldra leeg stonden als het verlaten gebied van een oordeelsdag. Al wat in Strassburg aan Christenen leefde, stond daar nu rondom de Flagellanten gedrongen, als betoverd door die kledij, die kostbare vaandels van ruw of glad flmveel en Bagdadse zijde, door de rode gevlochten kaarsen in het daglicht en buiten de Kerkelijke Processie, en door dat bitter vertoon van boete en zelfkastijding, waarvan de wanhoop hen een ernst oplegde die ongekend was. Voor velen was het een kijkspel dat hun aandacht opzoog; voor de meesten een onthutsende plechtigheid, nieuw, ongeoorloofd en toch met bestaansrecht; het voerde hen snel tot een spanning die op ontlading wachtte. Uit de mis en de Processie kwam het voort; het scheen eerst gewaagd, toe te zien en te luisteren; maar het greep hen en dwong hen mee in zijn loop. Met wijde ogen volgden allen die Dienst; met gescherpte waakzaamheid luisterden zij naar preek, bevel en naar het gezang van de leis en. Dat alles was eigenlijk een aanval op wat zij dagelijks beleden, bedreven en verheerlijkten, en desondanks moest daar juistheid in leven, want het wikkelde zich in al zijn vrijmoedigheid af in hun bijzijn, en op het plein van de Kerk die er openlijk mee betwistbaar werd gesteld. Monniken moesten erbij zijn, het werd rond gemompeld, en vooraanstaande gezagsdragers, ja, de Paus zelf had het in Frankenland zelf aangemoedigd als boetedoening tegen de Ziekte die daar toen aanrukte met zijn mensengreep. Hier zou hij ook komen, de Pest, en hen allen in enkele uren of ogenblikken tot vleselijke vodden doen wegteren en nu kon men het nog eens horen uit indrukwekkender mond dan ooit: