bij het verhaal over de Jood die tot het Christenkind gelonkt had en daarna vergeefs gepoogd had het mee te tronen, had von Buschegg het hoofd geschud, maar zich verder niet verzet, hij begreep ook dat de uitstrooiing van het opwindende vocht al lang voltooid moest zijn. De verlichte Raadsleden Wimpeling en Locher waren niet tegen het aftreden van de Raad; zij wensten de Gilden bij te staan in hun roep om meer rechten in het Stadsbestuur: om een jaarlijkse Stadsmeesterplaats voor één van hen, om betere regeling van loon en prijs, die de vlucht in de kleine uitputtende leningen zou voorkomen. De Raad was gedwongen te vergaderen en uit het gevecht om de stemmen kwam een nieuwe samenstelling te voorschijn: de Stadsmeesters moesten aftreden, Sturm en Schwarber verloren hun zetels; Winterthur moest zich verbergen tegen de bedreiging van het volk dat voor zijn woning om zijn dood had geroepen. De woesteling Betschold wrerd een van de twee Stadsmeesters, en de eerste van zijn stand op die plaats; de Bnad, uit Gildemeesters en hun medestanders samengesteld, liet, op het drijven van de meester-slager, tien Joden uit hun huizen halen; zij werden van bronnenvergiftiging beschuldigd, gefolterd en na bekentenissen op de wijze van de boer, geradbraakt. Het was als inleiding tot een grote opruiming bedoeld; de Joden, in hun straat dadelijk scherper bewaakt, zaten nu half gestorven in hun in huizen vakjes verdeelde val; zij aten niet en spraken niet, zij berustten in het angstschreien van hun kinderen en baden geluidloos. Betschold en de zijnen begrepen dat zij, ook al had de keizer de woningen van de Joden al een andere bestemming en daarmee zijn zegen op de grote moord gegeven — toch hun werk niet moesten uitstellen. De nieuwe Raad hield een plechtige Rechtszitting en deed wat het oude Bestuur had geweigerd: hij veroordeelde alle Joden van Strassburg, jong en oud, tot de vuurdood. Ook Wimpeling en Locher, opnieuw gekozen, stemden mee; zij vreesden de