vreemd geheim, oud en nog bestendig; men kan er duizend maal in staren zonder iets anders te ervaren dan een zucht tot betrapping en ontmoediging die niet zonder beangstiging en ergernis is. Een handvol wezens die uit een andere wereld bij ons zijn binnen gedrongen, en niettemin een macht hebben gesteld tegenover dat geweldige lichaam van onze Moederkerk, omdat zij voorgeven, aan de oorsprong van ons geestelijk bestaan te zijn ontkiemd. God de Heer heeft ons in zoveel honderden jaren ook die zoveel grotere macht verleend om hen te weerstaan; wij hebben hen lang gespaard, maar zijn hun daden dan geen heiligschennis van uur tot uur? En komaan, wie van hen tot inkeer wil komen, hij wordt immers in genade en barmhartigheid ontvangen. Staan dan daar niet, in een nis van zijn, des Bisschops Kerk, die beelden van Ecclesia en de Sy-nagoge, waarin de Joodse Dwaalleer zichzelf als verslagen erkent, met deemoed en edele schaamte jegens haar Overwinnaar, en zo overtuigend, dat elke Jood die daar voorbij gaat en niet inkeert, zijn straffelijke onwil toont? Bij die geest van de beslissing door de Tijd blijven de roerige Joden ten achter; neen, onze lankmoedigheid moet zwakheid heten, als wij ze niet eenmaal weten te begrenzen. En daarom is het, tegenover zulk een stroom van duizenden Flagellanten, die het stadsvolk tot boete komen wekken, moeilijk ingrijpen. Men kan de wilde ernst, van hun gezichten te lezen, afkeuren en liever matiging willen zien; welk verantwoordelijk Christen zou de moed hebben, hen met Christelijk geweld tegen te gaan om verstokte Joden te beschermen? Ja, die zonderlinge leden van de Stadsraad, die met de Keizer en de Joden heulen, die alles regelen, regelen: voor de lonen, voor de prijzen, voor de grondstoffen, voor de werktuigen, bemoeienis met alles! Die Winterthur, die Sturm en Schwarber, die in hun dwaling de Joden voor hun geleende geld en terwille van de heffingen waarvan de Raad zich wederrechtelijk meester heeft gemaakt, bescher-