drachtelijk verstaan worden! Daar had men de Joachieten, met weer een andere dwaasheid: van het jaar 1260 af begint het derde wereld-tijdperk, het tijdperk van de Heilige Geest! Zij weten het allen zoveel beter dan de Moederkerk, beter dan alle Heiligen en Kerkvaders en alle Priesters samen! Maar het afschuwelijkst zijn toch wel die Joden met hun Messias, die alleen voor hèn moet komen. Al had de groeiende macht van het Gildenvolk hem, de Bisschop, het beslissingsrecht afgekaapt in geschillen tussen Christenen en Joden en wat ook belangrijk was: het recht tot heffing van de Joden — die morrende Gilden zelf en ook de Geselaars waren hem toch welkom in het tumult, als hefbomen tegen die woekeraars en Godloochenaars. Hoe ondankbaar heeft die Aron, na zoveel jaren dienst waarin hij toch met Christelijke mildheid bejegend is, hem niet staan bekijken en tegenspreken bij een vredelievende vermaning die bedoelde hem zijn arbeid rustig te laten voortzetten: hij heeft zich aan alles onttrokken door zonder bericht heen te gaan en zijn Meester niets over gelaten dan het bewijs van Joodse aanmatiging, listigheid en lafheid. Nog pas zijn hernieuwde klachten vernomen van de Kloosters uit zijn Diocees, over de Joodse belastingheffers: bij de verkoop van het koren, de vruchten en de wijn treden zij schandelijk streng op in het opgeven van de belastingbedragen die zijn Abten, zijn Priors en Moeder-Oversten te betalen krijgen; waar Christenen die regeling te verzorgen hebben, zijn die zoveel gewilliger. Laat Augustinus dan gezegd hebben dat Gods liefde jegens de Joden niet kan veranderen; de mens kan tot Gods grootheid niet reiken, en het ongelukkige volk wil rechtvaardigheid, en de Heilige Kerkvader leert immers zelf ook, dat de Joodse uitverkorenheid voorlopig is opgeschort! Aan die Joden is een geheim, maar het is een hatelijk geheim. Plet is een geheim dat niet het hoogtepunt is van onze eigen gevoelens, zoals de zoete mysteriën zijn. Nee, het is een