de dieven is ook gedacht, met hun eigen schutsengel die in botsing komt met de schutsengel van de bestolene en die door middel van een tekening op een muur waarvan men het oog doorsteekt, dan een lelijke afrekening krijgt; overigens kunnen de waakhonden weer door de dieven worden bezworen: de beesten zijn dan niet meer bij machte te blaffen. Eindeloos is de rij van heidense dwaasheden waaraan Israël zich naast de Christenen bezondigt, tot een schande jegens het nageslacht,’ Rabbi Uri zweeg en poogde te glimlachen, Rabbi Meijer bleef verbitterd omlaag zitten kijken. Tot Ricia verscheen. Dat bewoog vele koppen tot instemmend knikken en ontstak in vele ogen de glinstering van een nieuwe tevredenheid en zachte verblijding. Fris, donker bloeiend in haar ernst stond zij daar, zelfbewust, niet groot maar stevig als een in zichzelf volmaakt edel menselijk groeisel, en tintelend van gereedheid. Bendit kreeg geen blik, en om dat overdreven ingepakte kopje van de boflijder, kon zij haar glimlach maar moeilijk meester worden. Of zij dan over het meisje Henna?. . . Ja, dat had zij. Zij erkent dat zij zich vergist heeft: zij had zich daarvan overtuigd gehouden, dat het kind (zij zei met nadruk: het kind) de dood zou zoeken, die een redding voor haar zou zijn, want op die zolder, verstoten als een ziek dier, zou zij langzaam zijn omgekomen ; en dat achtte Ricia een misdaad.
‘Ge hebt u afkeurend uitgesproken over het geldbedrijf.’
‘Nu! Nu!’ riepen sommige Rechters, en Rabbi Meijer vroeg:
‘Hoeveel keren moet hier in het Beth-Dien nog over die Lening verhandeld worden?’
Maar Rabbi Aron was toch geërgerd over die beslistheid van een zo jonge vrouw. ‘Gij spreekt te veel,’ strafte hij. ‘Wij kunnen niet toestaan dat gij de Gemeente in beroering brengt. Zoveel vrijmoedigheid is niet voegzaam voor een Joods meisje.’
Ricia keek verwonderd en bleef zonder beweging staan, zij