van zoveel verkeerds zou kunnen terughouden? Nu dwong zij hem, zijn monnikskleren te gebruiken voor dat doel, waarvan juist die wonderlijk slimme vrouw hem scheen te verdenken: monnikskleren niet voor de vrijheid om naar het spel van de Christenen te kijken, maar voor vlucht en doop. Welnu dan: tegen allerlei dat was toegestaan, had Ricia zich verzet, en vele zwartgallige mededelingen had zij gedaan, die somber moesten stemmen. De hoofden van de Bestuurderen stonden allen geheven, gereed om te luisteren, velen van te voren afwijzend, gefronsd, bevreesd. Zo had zij gezegd dat Keizer Ludwig de Joden van Trier en ook van Worms al verkocht had aan het volk. (Duistere afwering van een allang vermoed feit in vele saamgedrongen krauwen). Ja, en dat weldra weer een Jubeljaar voor de Christenen komt, en dat de Joden daarom alles van hen te vrezen hadden, behalve dan nog van hun angst voor de grote Ziekte, want daarvoor waren in Francia al zoveel duizenden Joden omgebracht. (De hoofden schudden bezorgd, om Bendit en om Ricia.) In Zürich, had zij gezegd, was een doodgemarteld Christenkind in de grote Kerk begraven en als een heilige vereerd; men had een altaar boven het graf gebouwd. ‘Hè!’riepen scheve monden zacht, om die woorden die in de lucht van het Beth-Dien verstaanbaar werden.
‘Heeft zij gezegd dat de Joden die daad hadden gepleegd?’
Bendit durfde de prachtige kans niet aan om Ricia dat vergif in de mond te leggen. Hij aarzelde, maar besloot, zijn vertrouwen bij de Raad niet te bederven.
‘Dat heeft zij niet gezegd. Maar ook over Zeil vertelde zij allerlei dat men niet kan aanhoren. Over het doorsteken van een Hostie en een grote moord op de Joden daar. Het is niet ver van hier.’
‘Onwaarheid is het niet,’ riep een stem van de Bestuurstafel. ‘De dopeling die ons hier in het verderf wilde voeren, is de enige die daar ontkomen is.’