waaraan Ricia en hijzelf, en ook de Bachoer Gottlip, en nog een vreemde zanger die op de Bruiloft gespeeld had, hadden deelgenomen. Hoe afgunstig was Bendit toen geweest, en hoezeer had de korte Liba hem daarin met blikken en een enkel gepreveld woord opgedreven, om dat natuurlijk gezag dat het meisje, onbegrijpelijk genoeg, op zijn mensen deed gelden: de zanger uit verre gebieden die dadelijk met haar was gaan spreken niet alleen om haar boeiende verschijning, maar ook omdat het zwerven hen dadelijk tot vertrouwden maakte. En een andere vrouwelijke vluchteling die al vele maanden hier in Worins leefde had binnen weinige ogenblikken gemeend haar hart voor Ricia te moeten blootleggen maar droop gestraft af, wat Ricia nog eerbiedwekkender en daarom des te hatelijker voor hem deed zijn. De herinnering stak in hem: hoe het meisje zich beklaagde over achteruitzetting door haar pleegouders, en hoe Ricia, met een benijdenswaardige mensenkennis, door een enkele blik en door het meten van de stembuiging vaststelde dat hier een hebzuchtige ontevredene en eindeloos ontevredene voor haar stond. Ricia wees haar terecht, dat zij door haar wantrouwen en haar durende vrees om te kort te worden gedaan, van te voren de geest tussen haar en haar pleegouders had bedorven. ‘Er zijn ondankbare naturen/ had Bendit haar horen zeggen: ‘die kan men nooit tevreden stellen, die kunnen niet met weinig gelukkig zijn, hoe van harte het ook gegeven wordt.’ En daarbij bleef zij, wonderlijk genoeg, toch hetzelfde mooie meisje, alsof zij heel niet wist, welke waarde haar woorden hadden. Hij vergaf het haar niet, en nu stond hij hier om haar een klap toe te brengen waarmee hij haar kon doen ineenkrimpen en voor zich doen buigen. Want hoe dom was zij toch! Als zij dan zoveel wist, waarom liet zij hem dan niet toe, met haar te spreken en haar te verklaren waarom hij haar nodig had? Dat zij hem toch met een huwelijk (en was hij soms een verwerpelijk bruidegom?)