overlaten. De menigte, in haar arme maar bonte kledij van veel blauw en rood, bleef nog met gestreelde vergenoegdheid staan om die voorlopige heling van al hun pijnen. Velen sprongen van plezier, de vrouwen werden omhelsd en geknepen ; er waren blikken naar Ricia die hun glinstering te plotseling verloren bij de ontmoeting van zoveel stilte en verborgen schrik. Zij maakte zich uit de open kring van de achterste rijen los, en stapte met ingetogenheid van het plein weg; verslagen door de winst van haar ervaring wilde zij naar Ozia’s huis gaan, toen een gestalte in het zwart haar staande hield. Het was een lange monnik; Ricia keek eerst met verbazing, toen met afschuw in Bendits lachend gezicht. Zij kon niet vriendelijk zijn.
‘Wat komt ge hier doen?’
‘Wat gij hier ook komt doen.’
‘Daarin kunt ge u wel vergissen. Ge hadt mij niet mogen aanspreken.’
‘Zijt ge soms een geheime bode,’ vroeg Bendit, ‘voor de Jodenraad?’
‘Zoiets. En gij?’
Hij keek spottend naar haar op zij.
‘Hebt ge al geld in de Lening geplaatst?’
‘Ik heb geen geld. En als ik het hebben zal, zal ik het niet in uw Lening geven.’
‘Dan plaatst ge het maar bij de Italianen; dat zal u beter passen.’ Hij ging heen met vijandige blik.
Zij kon om zijn domheid niet glimlachen, zij wist hem te moeten wantrouwen.
En kwam verstoord bij Ozia.
Daar werd zij met een bezorgde blik ontvangen. Haastig van kleren verwisseld; en daar hoorde zij van de jeugdige vroedvrouw sombere berichten. Het bezoek van Reb Falk hield de