ene helft van de Gemeenteleden een vrouw die men in het oog moest houden omdat zij een heks kon zijn (was dan niet in dat verre land, in een woud opeens een koets voor haar verschenen waarin zij een grote reis had volbracht?) voor de andere helft een trekkende Profetes. Onder allerlei voorwendsels bezocht men Ozia of Liba; een opvallend aantal vrouwen, ook de on vruchtbar en, waren aan zwangerschap gaan geloven of vroegen naar haar toekomstig lot; en als zij bij Ozia de vrouw Ricia niet aantroffen, zochten zij de woning van Susman en van Hernia’s vader, waar men gemakkelijk een boodschapje, een vraag naar de prijs van nieuwe schoenen of de schokkende mededelingen over de Raads-beslissingen kon aansnijden.
Ook vandaag, in het bange tumult om Reb Falie, werd zij met bevreemding besproken. Wat was het met haar dat zij zich zo zonderling gedroeg? Toen de dopeling langs Ozia’s woning kwam, was Ricia naar buiten en op hem toegesneld. Zij had hem bij de arm gegrepen en iets tot hem gezegd dat niemand verstond. Daarna was zij een eind met hem meegelopen, en pas een uur later teruggekeerd. Wilde zij ook afvallig worden? Of dacht zij Falk te bezweren? Bedriegster? Of Profetes?
Men wist niet dat zij haar kans schoon had gezien om zich het wapen te verschaffen dat zij van Peter niet had willen aannemen.
‘Wacht!’ had zij geroepen, ‘ik ga mee!’ En toen, naast hem, voor de Joden onverstaanbaar: ‘Hier is geld! Leer mij de Rozenkrans!’ Ozia alleen twijfelde niet aan haar.
‘Hebt ge hem afgekocht?’ vroeg zij Ricia bij haar terugkeer.
‘Dat kon ik niet. Maar hij moest mij een dienst bewijzen. Juist hij.’
Om Reb Falk af te kopen, daarvoor was meer nodig dan Ricia’s geldje, en meer dan de waarde van Bendits panden.
Men moest een grote som bijeenbrengen, voor de weduwe,