‘En het kind! En het knaapje!’ Hij voltooide die beschuldiging niet. Wat de Hostie betreft, bedoelde hij zijn Joden van Zeil. Hij beschuldigde de Wormsers niet, en die van Zeil misschien. Maar de woorden Hostie en Knaapje klonken als een vonnis.
‘O!’ werd geroepen. De handen grepen naar de monden. En men vluchtte in de huizen eer Falk nog, steeds schreeuwend, met tartende lach, maar zelf op de grens van doodsangst ruggelings uit het gezicht was verdwenen.
Tot bij de Rabbijnen en de overige gemeentebestuurderen was het al in enkele dagen door gedrongen: een jonge vrouw is hier onlangs aangekomen, aan Reb Susman verwant, en zij heeft woorden gesproken die verwonderd doen staan. Over het ongeluk-aanbrengende meisje Henna, dat zij in bescherming neemt, over de grote Lening, voor de Joden van heel het Duitse land een opwekkende en troostrijke gebeurtenis, waaraan zij geen deel wil nemen alsof zij een vrouwelijke Jesaja is, want zij beschikt over geld; en over het heilige huwelijk dat zij verwerpt. Dit laatste gold niet meer haar dan het ontwijkend antwoord aan de Bachoer Reb Bendit, die in zijn verwende ijdelheid gekrenkt, met de kleine Liba aan het kwaadspreken en samenzweren was gegaan; hij nam een flink deel voor zijn rekening van het onuitgesproken maar van elkaar goed begrepen plan, een opschuddinkje te waaien tegen Ricia en Ozia. Het opschuddinkje kwam zonder moeite, maar niet overal naar wens. Want zoals men snel geneigd was tot vrees voor boze geesten, zo gretig haakte men naar een reddende wonderdoen-ster. Het Boze Oog had zijn tegenspeler in de Profetenblik, liefst van een machtig wezen, desnoods ook van een on-aanzienlijk. En Ricia uit Tiel, uit het verre geheimzinnige Tiel, waar was dat? Aha, men wist het niet, het was ergens waar de wereld eindigde — die Ricia was binnen enkele dagen voor de