hij, ‘ik moet nu antwoord hebbend En tot Rabbi Ar on, van zijn macht bewust: ‘Ik wil nu antwoord. Ja.’ — De Bestuur-deren konden zich niet meer onderwerpen. Bendits verzoek kon niet worden toegewezen; als de weduwe de schuld aan Bendit die duidelijk genoeg vaststond, zou erkennen, konden de panden gelost worden. Zo was de wet voor Christenen en Joden, en de Raad zou zorgen voor een goede schikking. Falk liep weg met een besliste beweging van zijn schouders, een welbekende en nu vreeswekkende beweging, een Joods gebaar tegen de Joden; zijn felle blik van vijandschap deed een deel van de Raad over de weigering ontevreden fluisteren; Rabbi Aron scheen door zijn stille woede tegen de verrader weerhouden te wrorden van een onderwerping aan zijn afpersings-doel. Bewust van zijn macht liep Willebrordus de Joodse wijk weer in, en toen hij een groepje wachtende Joden voorbijging, begon hij, eerst zacht voor zich heen, dan langzaam luider te schelden. De Joden verroerden zich niet tegen hem, hun hoofden draaiden alleen in zijn richting met zijn loop mee, zij verstonden nog niet wat hij zei: ‘Van anderen, van fatsoenlijke Gojjiem geld nemen en daarmee vluchten!’ riep hij ‘dat raden ze, die dieven, om iemand in het gevang te brengen, om iemand op de brandstapel te brengen.’ Naarmate hij verder liep, werd hij duidelijker, en hij eindigde met naar de bewoners die voor hun deuren stonden, te schreeuwen: ‘Iemand op het brandende hout te brengen, iemand naar de vlammen te jagen, dat raden ze! En dat zijn dezelfden die nog meer durven!’ De Joden stonden bleek en trillend te wachten wat nog volgen zou. En het kwam. ‘De Hostie!’ riep hij, ‘de Hostie doorsteken! Dat durven ze! De fatsoenlijke Gojjiem uittarten met de Hostie door te steken!’ Voorzichtig, naar eigen inzicht wel gedurfd maar in zijn opzet passend, riep hij nog, terwijl hij zich onder het lopen omkeerde: ‘En het kind!’ Daar knipoogde hij bij, alsof hij hen in zijn leugen wilde betrekken.