daad in het algemeen belang. Reb Falk antwoordde weer, dat waar Bendit van schulden sprak, er toch ook panden moesten zijn. ‘Volgens mij!’ riep Bendit die zich toch nog beheersen moest tegenover die schaamteloze dwingelandij, ‘volgens mij zijn er panden; niet volgens de weduwe; voor haar kunnen er geen panden zijn, want volgens haar is er geen schuld; hoe kunnen er dan panden zijn en hoe kan ze die terugvragen zonder de schuld af te doen?’ Hij lachte om de onzin, maar Falk lachte ook, zonder Bendit aan te zien. Die sprak tot Rabbi Aron, de voorzitter en voornaamste ondervrager, ‘dat hij nu de waarde van de panden nodig had, en als de Raad hem die wilde vergoeden, zou hij ze afstaan.
‘Hebt ge het geld nodig voor brood?’ vroeg het scheve blanke kinderkopje onder de fluwelen muts van Rabbi Juda.
Niet voor brood had hij het nodig. Maar hij was de enige die achter moest blijven (hij bedoelde de enige van de half aanzienlijken en die naar de volle aanzienlijkheid reikhalsden) in de grote Lening van Beieren, en hij wilde daar niet buitengesloten blijven. Rabbi Juda keek rond als met aapjes-ogen, en zweeg; hij monsterde de Raad op de geneigdheid, Bendit zijn buitenkansje te bezorgen, en met die enige afwijking van de rechtspraak de dopeling vast te zetten. Hij stelde voor, en wTel onder een verheugde blik van enkelen die doorzicht ontmoetten al was het maar door zicht van een verwarring door de afgekeurde daden gesticht, om in afgezonderd Beraad te gaan en de klager, want hij noemde Falks naam niet daar die er in zijn ogen geen had — te verzoeken zich daartoe een ogenblik te verwijderen. Rabbi Aron, met eerbied voor die behendige zet die immers ook Falk de waardigheid van het Beth-Dien moest doen voelen, deed zo. En Falk keerde zich met een handengebaar van het zwichten voor de dwang van het ogenblik, naar de deur. Maar daar keerde hij zich opnieuw om. Hij kwam naar de tafel van de B.echters terug, en schudde zijn kopje. ‘Nee,’ zei