vormelijk bruiloftsfeest aan te richten. Maar vooral in zijn nieuwe levensvorm van Willebrordus Petrus, een gedaante waarin hij zich onder kille huiveringen van angst voor zijn vroegere God had laten veranderen, had Reb Falk nu zijn eigendommelijke listigheid; hij hief bij het eerste Jodenhuis zijn kopje zonder baard maar met een dik zwart kneveltje, en vroeg om geld. Dat had hij nodig om weer Jood te worden, want de Christenen, zei hij, die hem tot doop hadden gedwongen met de messen tegen zijn ogen, hadden hem geld geleend en eisten dat nu terug onder bedreiging van de doodstraf die op de Joodse vlucht uit het Christendom gesteld was. En willen de Joden hem nu niet afkopen? Hij stiet op wantrouwen, op het wantrouwen tegen elke gedoopte, op de persoonlijke onbetrouwbaarheid waarmee zijn al te dik vleiende scheldwoorden tegen de Christenen zijn hoorders prikkelden. In een van de eerste woningen, die van Ozia en Ricia, ontmoette hij glimlach van spot. Zij wisten niets van zijn Christelijke gedragingen, maar hij wist ervan, en onder haar blikken in een scherpe en beangstigende flits van herleving: hoe hij, na de maaltijd die de pastoor te zijner eer had gegeven, met een kleine vracht tafelzilver in de zak het huis verliet en de weduwe, behalve met zijn gulzige omhelzingen, daarmee gelukkig maakte. En hoe hij voor een monnik het ‘Adoua Oulom, het, ‘Heer der Wereld die regeerde eer nog enig schepsel ten leven was gebracht,’ moest zeggen en vertalen; hoe hij dat met zijn laatste ontroering afschreef terwijl hij wist dat het in een spotspel tegen de Joden gebruikt moest worden. ‘Bij die vuile Gojjiem blijft men een Jood,’ klaagde hij vals tot Ricia en Ozia, ‘en bij de Joden is men een verrader.’ De beide vrouwen knikten en stuurden hem verder; zij verwachtten van dat bezoek een slechte afloop, en hielden zich onzijdig. Maar Reb Willebrord Petrus Falk ging verder met de Jodenwijk in beroering te drijven; zijn plan was gemakkelijk genoeg; wilden
V59