dan al wat in Worms bekend was. Toen vroeg de kleine Liba:
‘Ge zijt onlangs boven geweest bij de Christin? Ge hebt er niets van gezegd.’
‘Ik heb haar gezien. Is zij dan gedoopt?’
‘Zij kan het elk ogenblik laten doen/ rammelde Liba binnensmonds ; ‘is het verschil dan zo groot?’
‘Zij zal misschien heel iets anders wensen/ zegt Ricia.
‘Heeft ze u dat gezegd? Ik heb nog geen woord met haar gesproken.’
‘Ge hebt haar misschien niet eens gezien/ strafte Ricia. ‘Wij hebben niets gezegd.’
Liba vroeg meteen: ‘Wat wilt ge met haar? Haar laten gaan?’
‘Als ik het zou moeten zeggen:: men moet haar laten gaan. Zij moet kiezen, zij is de verongelukte.’
‘De verongelukte!’ riep de dwergvrouw. ‘Hoor! denkt ge er misschien zo over als zij?’
‘Zij heeft niet gedacht/ zegt Ricia met voorbijzien van Susman en het wisselen van een glimlach met Ozia. De binnengelopen buren die bij de deur stonden, met verzadigde nieuwsgierigheid om de verschillend begrepen berichten van Sus-man, waren nu vol angstige verwondering om Ricia. Haar eenvoudige woorden scheurden in hun wetmatige haat tegen het mishandelde meisje Henna. 13e daad van de lichamelijke verbinding met de Christen wras eenmaal zo vijandig verklaard, dat zij, ook al was die onder dwang gepleegd, dadelijk gereed waren voor de diepste wrok en tot dodelijke verachting. Daarom had Liba nu met Ricia volledig afgerekend.
‘Die weten het met elkaar/ zei ze smalend naar de beide vrouwen. Weerzin tegen Ricia prikkelde haar om haar mededinging in de waardering door haar wettige man. Angst voor verscherping van het gevaar door elk woord of elke daad die zij niet begreep, benauwde haar.