gekend, en ik ben nu al verzot op hem, niet Sus man?’ Ricia zag verlegen toe bij Susmans ingespannen pogingen om te verbergen dat hij dit vroegtijdige liefde-vuur ontweek.
‘Ge zijt óók geen zakenvrouw,’ zei Susman tot Ricia, ‘mijn moeder was het ook niet.’
‘En gij?’ vroeg Ricia, zo zeker van het antwoord, dat zij glimlachte naar zijn droefgeestig aanvaardend gezicht. Hij antwoordde zonder enige raadselachtigheid met een glimlach terug en een voorzichtig ontkennend hoofdschudden. Alle drie, hij en de beide vrouwen lachten vertrouwelijk; Liba’s ogen stonden scheef van wantrouwende onbehagelijkheid boven haar dikke neus en Bendit begreep niet hoe een man dat van zichzelf kon toegeven. Hij stond intussen, na de kleine gevoelige nederlaag bij Ricia, nu Ozia te schatten als steun voor zijn verder mannenleven. Hij wist dat zij hem om de vingers zou winden als zij ja zou zeggen en dat hij zijn rol van de branie niet zou kunnen voortzetten, maar dat hij overigens in een bed van zorgenveiligheid zou liggen bij een vrouw die elke moeilijkheid scheen te zullen voorkomen of tot een goed einde brengen. Hij mat haar en het kon Ozia niet ontgaan. Die zat roerloos onder zijn blik met omlaag gewend hoofd, en met een fijne wapenende glimlach. Bendit wTas na de klap die Ricia hem had toegediend, niet dom genoeg om blind te zijn voor een tweede, en hij besloot met onderdrukte woede, zich niet verder te wagen. Susmans blik volgde de bewegingen en schouderophalend schertste hij tot Ricia: ‘Ja. Rabbi Eberlin bestrijdt het zakendoen, maar de andere Rabanniem zeggen: het is ons kleed geworden, ge hebt het gehoord.’ — ‘O ja,’ antwoordde Ricia, ‘maar wij hebben meer te verdedigen dan ons kleed, en met zoveel om het lichaam is het moeilijk vechten.’
Susman voelde de verwerping van die woorden door Bendit en Liba, tegen zijn bewondering in. Omdat zij een mooie vrouw was, rekende hij haar nu tot een wezen van hogere orde