betreuren. Israël werd vet en algemeen, en alle zonden van hen die het voor moest gaan, werden binnengehaald, misschien wel uit vrees al te uitverkoren te schijnen, misschien wel uit laffe schaamte voor zijn uitverkoren plaats. Israël wilde een Gouden Kalf omdat het gezeten werd en slaaf van het stukje bodem waarop het was terechtgekomen: het wilde Richteren, en eindelijk Koningen, zoals de anderen. Het wilde het grote domme spel van de wereld mee-spelen; men kreeg steden, en de Koning wilde pralen met een Tempel, omdat hij macht had en rijkdom. Maar de Tempel moest door Heidenen gemaakt worden; zo werd het aanzien dat God had gegeven, verkwanseld tegen ijdele ogenpronk. En zo verheugen wij ons vandaag in steeds minder stilte, om het goud dat uit de pijnen van de armen in onze kisten groeit, wij boeleren er mee, en onze vrouwen en dochters betreuren het dat zij het niet in de ogen van de Christenvrouwen kunnen laten schitteren, zozeer zijn wij voor het werkelijke Aanzien ontaard.’
De leden van het Beth-Dien waren wel getroffen geweest door zijn vermelding van het Teken en de Stem Gods; zij hadden roerloos geluisterd, maar toen hij zweeg, kwam er toch gemompel los. Men schoof onrustig op de zitbankjes en de schemels heen en weer; hoofden wendden met blikken van scheve ogen zich af. Want niet alleen dat al wat hij van die Stem overbracht, een hartstochtelijke herhaling was van de meningen die hij steeds tot zijn leerlingen uitsprak; maar de Tempel lasteren en Koning Salomo aanranden, dat ging hun te ver. Toch zwol Eberlins stem. nog een ogenblik vaster aan. ‘Dwaalt toch niet in uw verwarring rond,’ riep hij, ‘en zet u niet in toornigheid als kinderen aan wie men een gevaarlijk speelgoed afneemt. De Tempel moest verwoest worden, tot tweemaal toe, want hij was de vorm en de bestendiging van de enge gezetenheid, van het valse huwelijk met de Heidenen en van al het afleidend kwaad. Goud, koper en sittiemhout, en de