terug van die namiddag in het hos, toen hij de grote zucht over zich heen had voelen strijken van de eerste voorjaars-nesteling, in de gras-stoppeltjes en in de gestolde huivering van groen langs de boomtakken. Hij noemde dat zoals het in zijn wereldbeeld moest heten: een ‘maggied,’ een ‘stem,’ een Verkondiger. Hij kon zich die uiterste samentrekking van al zijn aandacht op dat éne punt, en de overmachtige zekerheid waarmee hij de toestand overzag, niet anders voorstellen; de geneigdheid om die bezieling als door bovenmenselijke kracht ingeblazen te verklaren, stamde uit dezelfde geest van ongewisheid die hij aanviel, maar hij kon zich daarvan niet losmaken. ‘Luistert toch,’ zei hij, ‘ik heb een Teken gekregen.’ Hij zag alle blikken naar zich omhoog gericht, gereed om rustig op te nemen wat volgen zou, zoals zij op plechtige ogenblikken luisterden naar de voorganger in het Gebed, of naar de Ramshoorn-blazer op Grote Verzoendag. ‘Er is geen twijfel,’ zei zijn hoge stem, ‘het was een ingeving van God die ik gekregen heb, alles was te duidelijk, en al heb ik nooit over zulke ervaringen gesproken, dit was niet de eerste keer. Niet teveel inleiding: ‘Israël heeft geen handel te drijven en met geld rinkelend tussen de vijanden heen en weer te lopen. Israël moet zwervend blijven, niet de leenbrief is zijn wapen, maar de staf. De geschiedenis van het volk Gods leert het ons ook. Zolang het zwervend was, kon het zuiver blijven in zijn Gods-dachte, en met God verbonden leven. Het bezat geen vorm van de wereld, het stond niet in een lijst van de tijdelijkheid, het kon niet pronken, het kon niet dansen, het bleef ver van alle liederlijkheid. Daarmee was het uitverkoren. Zodra het enige macht kreeg en zich neerzette, en een vorm wilde als de andere volken, kwam het bederf en het misbruik van die uitverkorenheid. Zonder onrein goud van vreemde roerige stammen zou geen Kalf gegoten zijn; en zonder gezetenheid als die van de anderen zou geen Tempel zijn gebouwd, die wij