Een Christelijke weduwe had de schuld van haar man ontkend. Hij moest zijn zaak voor een Christelijk Rechter bepleiten, en daarvoor was omkoopgeld nodig. Hij had zijn vennoot in een aantal leningen tot bijdrage in die onkosten opgevorderd; maar die weigerde en hij had vernomen dat de Jodenraad hem daarin ongelijk zou geven. Hij zat in de engte. Sluwheid, verraad, doop-gedachte, allerlei uitkomst lag bij hem klaar. Hij was des te radelozer omdat hij nu geen middelen had om in die grote Lening mee te gaan en de schaamte niet aankon van zich niet meegeteld te voelen. Vaag was voor hem de uitslag als voor iedere Jood die er aan deelnam. Maar de hoop en vooral de ijdelheid bleven hem toch drijven. Hij mocht als zovelen dan aarzeling hebben gehad: nu zoveel anderen zich in de verwachting begaven, eindigde hij met te poperen een van hen te zijn, zoals wie niet alleen kan staan, zou meelopen in een stoet ook al kent hij de verwerpelijkheid van het doei. Susman mag niet rijk zijn, zijn nieuwe schoonvader is ver van arm, er glinstert goud om hem heen. Hij, Bendit, kan tien pond lenen bij de armenkas van de Gemeente: hij kan zich niet anders voorstellen dan dat hij daarom nagewezen zou worden waar hij zou gaan.
Susman leidde de kleine botsing tussen hem en Ricia af met te verhalen hoe bij de Inzegening alle gasten gespannen hadden gestaan, toen men de oude Rabban naar het Bruidspaar had geduwd, nadat Rabbi Ar on de feitelijke Goepah had voltrokken. Hij sprak met een bijna onmerkbare spot, en een restje vraag naar de geheimzinnigheid van die verhouding tussen de aanzienlijken, de ‘Ga-oniem?, en de oude Rabban. Die was dan naar hem, naar de Bruidegom geschoven als een blok dat men verplaatst, en had de beide vijftallen sprietjes die als zijn vingers dienst deden, op Susman’s hoofd gelegd. De gasten staan en zien toe, alsof een Godsoordeel wordt voltrokken of hernieuwd, met ingehouden adem; de lucht rondom in de met