lust, zijn weerbaarheid als slimheid gaande te maken, en weinig spraakzaam, kon hij voor Ricia belangwekkend zijn en niet onvertrouwd. Zij kan niet nalaten, elke man als huwelijks-deelgenoot te keuren, en Fantin verdwijnt niet alleen om zijn familie-onbemindheid op de achtergrond, maar ook, nu zij zijn zoon ziet, als te oud voor haar. Zoals zij dan Susman toetst, zo monstert zij ook met verwondering de kleine Liba, dat ongewoon domme, praatzieke dwergwezen, waarmee hij nu de rest van zijn leven als met de meest bevriende zal moeten samenzijn. O, zij kent die wet van de schikking in de trouw, dat zich blindweg samenvoegen met de tweede onder het zachte geweld van de zede: alle plooien van de ongewendheid, van de ergernis, worden gladgestreken door de ootmoed van duizend jaren plicht uit nood. Al is de scheiding niet verboden, de leiders trachten ze zoveel maar doenlijk is, te voorkomen: twee Jodenraden wanneer man en vrouw uit verschillende gemeenten afkomstig zijn, moeten ze goedkeuren. Ricia ziet het al: Susman zal geen ‘Get’ aanvragen, en Liba doet gelukkig met haar man, zij dringt zich op zonder zinnelijkheid aan te brengen of te wekken. Het weinige goeds, het vele overbodigs en kwaads dat zij laat horen, verbrabbelt zij binnensmonds alsof het geen duidelijkheid verdraagt. En verbazingwekkend is de verbeeldingloosheid, waarmee zij Susman toespreekt, rammelend, zonder enige eerbied voor het gedachteleven van den ander; zij spreekt niet tot Susman, zij spreekt tot het beeld dat zij zich uit de verkeerd verstane bron van haar omgeving gemaakt heeft, tot een van duizend, van wie niemand weet waarmee hij de vrouw kan bevallen anders dan omdat hij de erkende mannelijke helft van het huwelijkspaar is. Susman weet het al, en staat als een kleine boom waar de wind tegen babbelt, behalve dan dat hij aan het schudden van zijn kruin nog niet toe is. Ricia moet innerlijk glimlachen om de dwaze verbintenis, al merkt zij dat in Susman toch niet de