flalevi, David bewegelijk, een ietwat zoet kopje, en Jacob met zijn graag schuingehouden hoofd, zwierig, beiden met korte rossige baardjes maar in het uiterlijk als vorsten verzorgd, en zoals Rabbi Uri, fijn, wonderlijk rustig en van denken blank temidden van die roerigheid. Die tornden in zwijgende afspraak tegen de oudsten op, uit tegenzin in de uiterste volgzaamheid. Zij plachten de wenkbrauwen omhoog te trekken, zij zetten scheve monden van afkeurings-spot, zij schudden nu en dan de hoofden en waagden het te glimlachen om besluiten die met hun stem werden genomen. Geen van de oudsten die aan de stille achtergrondse bezigheid van die ontevredenen ooit een woord besteedde; een blik en een knik als bewijs van kennisname, en zij kenden eikaars gedachten.
Zij waren ook zo geweest, eer de jaren hen met het overzicht ook het overwicht hadden gebracht. De leiding heette niet te deugen maar werd niet minder geëerd dan waar ook; zij gleed lichtzinnig heen over de plicht, de gevaren onder de ogen te zien, waarvoor zij intussen de hunne sloten; zij had voor de Gemeente veiligheid te zoeken, waarover geen van de ontevredenen zelfs maar een ogenblik anders gedacht had dan duizenden Joden in het Duitse land en daarbuiten. Onbewust, al die dagelijkse oefening in het verweer, al die steeds herbegonnen tewerkstelling van de geestkracht, zoals het huiselijk leven, het verkeer met de vrouwen, met de zonen en de dochters, zoals heel het kansen-bestaan van handel en bedrijf louter spel was en oefening, opwindend en onbevredigend, elke nacht eindigend in de verslagenheid en in het smachten naar het wonder van de ochtend. Reb Mendel de meubelmaker met zijn rode lipjes en dikke wangetjes en kleine ogen als het verwend gebleven dikke moederskind, Reb Philip de goudsmid die eruit zag alsof hij zijn sierkunst op zijn uiterlijk toepaste, Reb Simon de kleermaker, die door zijn lange neus zijn overigens bedachtzaam lijkende woorden sprak, en ook Reb Vidal de