Synagogedienaar, een bedachtzaam droefgeestig mannetje met een kortgehouden baardje om zijn spitse hoofd — zij hadden met nog vele anderen, ook de Bachoeriem die van een hogere orde waren, aan de bruiloftstafel zowel over de vis, over het gevogelte en het Bretzelgebak, als over de gezags-uit-spraken hun mening te kennen gegeven. Het gebeurde met vreesachtige luidruchtigheid, waarin de hoge keelstem van Mendel, de dikke meubelmaker, zijn honderden woorden gorgelde in één toon, steeds bezorgd aandacht te kort te komen, in een miskendheidsgevoel dat zich baanbrak zonder een spoor van matiging of orde. De Schriftgeleerden zagen zelfs dankbaar vóór zich, toen de beide potsenmakers, bont toegetakeld en met narrenkappen en ongewoon lange puntschoenen, hun armoedige instrument aan het janken en tokkelen streken en een paar gewaagde grappen voordroegen. Velen waren zoals Mendel, opgejaagd, getergd, en tot overzichtelijke aanvaarding zonder drukfvan bovenaf niet bij machte, tengevolge van hun overmaat van ongebruikte krachten bij de onrust van de be-dreigdheid.
‘Een kind van veertien stuurt men voor zaken naar zo’n Christen. Had men van Karolus Schaffman zoiets dan kunnen verwachten? Een kind dat God zo’n uiterlijk heeft gegeven?’
Zij schamperden tegen de Rabbijnen, zij scholden op de ouders, die evenals zovelen hun dochters vroeg aan de zaken lieten deelnemen, en vaak onuitgesproken van haar bekoring goede uitslag verwachtten, ook uit trots op hun knappe kinderen, van wier standvastigheid zij zeker waren. Die van Henna hadden op haar lelijkheid gerekend, maar niet op de weerloosheid die allen haar met het openlijk uitspreken van die misdeeldheid hadden ingepraat en die de Christelijke zakenvriend in een zwak ogenblik tot een betreurde gulzigheid had geprikkeld. ‘Spreek er maar niet over,’ had hij daarna met de arm om haar middel, walgend maar vaderlijk gezegd, ‘dan blijven