onderkent als het gewenste voorbeeld. Als zij dan met weinig woorden over het klooster bij Zeil spreekt, lacht Ozia haar in volle saamhorigheid toe, maar tiaar gezicht lijkt kleiner te worden bij Ricia’s aanduiding van de Hostie-rel. Alle laatste vreemdheid is nu kameraadschap geworden, en er is vreugde om die overwinning van de tegenzin in de verschijning van de non. Men denkt niet aan blijvende vriendschap, maar ondergaat een overeenstemming die niet rijp maar ruim is, een steun, een troost, stevig, maar zonder de schokkende bevreemding en zachte overstelping van de liefde: een man voor wie men zich bestemd wist, maar die in de wereldmenigte weer voor u verloren ging.
‘Ja, men brengt de tijd door met twisten/ zegt Ozia, ‘over de Leer, over handelsgeschillens
‘Over de grote Lening/ schertst Ricia.
‘Over de grote Lening, weet gij er van? En men durft het gevaar niet in het gezicht te zien. Het is ook niet aangenaam. Misschien als gij hier aan de Dajaaniem zoudt kunnen vertellen wat gij weet.. /
Altijd weer dezelfde vraag voor Ricia: zijn zij schuldig om die blindheid?
‘In ’s Hertogenbosch wilde men van geen bedreiging weten. Niemand mocht er met een woord op wijzen.’
Ozia ontsluit op haar beurt haar vertrouwen. Hier in Worms, een week geleden, heeft zij een meisje van een kind verlost: de hele Gemeente is daarvan in beroering. ’Ja, ook omdat ik ben gaan helpen: de vader van het kind is een Christen, een getrouwd man. Het is een afschuwelijke gebeurtenis. Men heeft mij de kleine Ban willen opleggen, dan zou ik hier uitgewezen worden, maar dat is nog afgewend.’ Jazeker, zij is de enige vroedvrouw, men kan haar moeilijk missen. Zij moet overigens toch al voorzichtig zijn, want velen komen bij haar, om zich de toekomst te laten voorspellen; men wil het