en tegelijkertijd gelooft men aan toverij. Ricia zet grote ogen, haalt de schouders op, monstert haar gastvrouw op dat wonderlijk vermogen, maar mist de moed, haar over de oprechtheid daarvan te ondervragen. Zij neemt het voorlopig aan als de bijzondere eigenschap van een geleerde vrouw: hier eindigt haar gezond verstandelijk inzicht. Het meisje, vertelt Ozia verder, heeft het kind gedood, en haar vader heeft de schriftgeleerden gesmeekt, zijn dochter te mogen verdrinken. Als Ricia huivert: het meisje zweeft tussen dood en leven; zij zou het liefst willen sterven, maar nu het verzoek van haar vader is afgewezen, wordt zij tegen zelfmoord streng bewaakt.
Na een zwijgen, waarin beiden in de radeloze onoplosbaarheid staren van dat alzijdige falen, vraagt Ricia eindelijk of er niet in Worms een zoon van haar Oom Fantin leeft? Ozia lacht. Hij heet Susman immers? Maar hij viert vandaag zijn Goepah, zijn bruiloft!
Hoe? de stoet die zij heeft gezien?
‘Het is zijn tweede huwelijk, zijn eerste vrouw is kinderloos gestorven; deze nieuwe komt uit Odernheim, niet ver van hier. Wij kennen haar niet.’
Maar dan heeft Ricia haar gezien. Te paard (Ozia knikt) tussen acht Joden in die haar naar Worms brachten.
‘Voor de Goepah. Is zij mooi?’
Ricia kan niet verhinderen dat zij in een lachje schiet. Op Ozia’s nieuwsgierige blik: ‘Zij is zo klein dat ik had kunnen denken aan een speelmannengezelschap met een vrouwelijke dwerg.’
Ozia schrikt ervan. Dat zal Susman niet meevallen. Zij moet wat geld meebrengen, maar dat is dan ook alles wat hij krijgt. ’Hij is een stille man, hij zal zich schikken, uw neef. Ik zal u over een paar dagen bij hem brengen.’ Zij krijgt een mantel in bruikleen, want met dat nonnenkleed kan zij zich hier niet verder tonen. Maar als het haar niet stuit: dat ongelukkige meisje